Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hoe jammer! En hoe oud is die jonge dame!"

„Verleden week Woens¬

dag is ze achttien geworden,' vertelde freule Von Wetter gehaast, „maarFriedel, die in de stad studeert, is de oudste, en die wordt twintig." En met groote, plechtige oogen naar den jongen officia blikkend, voer ze voort: „Tegen dien zal u wel net zoo erg opzien als wij: hij is een poëtaster, zegt de dominee.'

„Wat is hij?' — Lehrbach boog zich naar haar toe. — „Een poëtaster? Wat is dat voor een beest ?"

Josephine zag hem verwijtend aan. „Wel, natuurlijk iemand, die verzen maakt!'

„Ah zoo, een dichter!"

„Neen, dat is hij nog niet, omdat er nog niets van hem gedrukt is!" verklaarde Josephine gewichtig. „En zoolang hij nog niet beroemd is, is hij geen dichter maar een poëtaster!"

„Heb je het gehoord, Hattenheim? Men is nooit

te oud om te leeren'" en Günthers lippen trilden weer van ingehouden lachen.

Sluiten