Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na eenige oogenblikken om en bood freule Von Wetter beleefd de hand. „Pas op, hier zijn barricaden, freule."

Josephine lachte vroolijk: „Denkt u, dat ik niet klimmen kan?" en terwijl zij hem een overmoedig tikje op de toegestoken hand gaf, sprong ze niettegenstaande haar „massieve chaussure" zooals Lehrbach gezegd had, licht en vlug als een hinde over den steenachtigen bodem.

„Hoe wreed, freule, mij zoo de doornen van de roos te doen gevoelen."

In het volle zonlicht stond ze in al haar frissche, overmoedige jonkheid voor hem, schalks boog ze het hoofdje ter zijde en reciteerde met pathos: „Wem nie durch Liebe Leid geschach, geschach durch Liebe Liebe nie!" - Beiden lachten. doch Günther trad nader, greep snel haar hand en drukte die aan zijn lippen. „Door lief?" herhaalde hij met zonderlingen vragenden blik.

„Het is hier boven een prachtig uitzicht!" klonk in dit oogenblik Hattenheims stem voor het begroeide spitsboogvenster der ruïne. „Kom toch gauw, freule Von Wetter, en bewonder uw schoonen geboortegrond!"

„Ja, daar ben ik al," riep Josephine en snelde vlug en behendig door de bouwvallen over den met gras begroeiden hof. Spoedig stond ze aan Hattenheims zijde. Met de handen geleund op de vensternis en de oogen gevestigd op het betooverend schoone landschap aan hare voeten stond ze sprakeloos en zonder zich te bewegen, als een kind voor wiens oog zich het geheimzinnig gelooven van een caleidoscoop ontrolt.

"Niet waar, het is hier heerlijk," verbrak Hattenheim de stilte en zijn blik vloog weemoedig over het landschap; „het herinnert mij aan mijn „thuis" waar het ook zoo vrij! zoo eenzaam is, waar geen bergen het oog begrenzen, en hemel en aarde in elkaar smelten.'*

„Waar zijt ge dan vandaan .•*' vroeg Josephine en zag voor de eerste maal Reimar von Hattenheim met belangstelling aan.

Sluiten