Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE HOOFDSTUK.

Veertien dagen waren voorbijgegaan, en geen enkele had zich ten einde gespoed zonder het verkeer tusschen Lehrbach en Grosz-Stauffen te verlevendigen; óf de uitnoodigingen wisselden elkaar af, öf de beide jonge officieren kwamen ongenood om oom Bernd en Josephine af te halen voor een rijtoer. Want sedert zij de ervaring hadden, dat freule Von Wettcr een even moedig als bekwaam ruiter was en er bovendien te paard in het oud-frankische rijkleed harer moeder verrassend schoon uitzag, werd Günther niet moede aan haar zijde door bosch en veld te draven terwijl hij soms in baldadigen overmoed met „zijn kameraad Josephine'' een „rallyepaper" improviseerde of allerlei hindernissen zocht om de bekwaamheid van zijn tegenstandster op de proef te stellen. Josephine kwam alle steeds glansrijk te boven; zij toch had als kind spelende geleerd, wat de huzaren-officier „edel sport" noemde; ze was er immers aan gewoon, over sloten en barrières te springen, het meest oneffene terrein licht en vlug over te rennen, wanneer het gold de losgebroken veulens te

Sluiten