Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klappen met de tong, en bijna onzichtbare beweging van de karwats: „en avant, hop"' en de hoeven sloegen vonken uit de steenen, het donkere rijkleed waaide op en vlug en licht sprongen ros en amazone over de hindernis.

„Kranig, op mijn woord, heel kranig!" de huzaar zette de tanden op elkaar, gaf zijn paard de sporen en volgde het jonge meisje; „maar roekeloos, freule, werkelijk meer dan roekeloos," ging hij voort.

„Ik zou het nooit gewaagd hebben een jonge dame tot zoo iets aan te zetten, of ze moest den naam Renz dragen! Ge weet, dat ik voor mij zeiven nooit beangst ben, — voor u, is wat anders!" — Nu lag er een wolk op zijn voorhoofd, hij hield den vos in en liet de stijgbeugels vallen.

Josephine keerde het hoofd om, haar lachende blik veranderde en verschrikt zag ze Günther aan: „Wat kijkt ge boos, en dat uit angst voor mij?" Hij haalde de schouders op en zei scherp: „Ook uit angst voor u, maar in het algemeen wordt een cavalerist niet gaarne door eene dame gehouden voor een bangelijk ruiter!" En hij sprong op den grond en wierp den knecht de teugels toe.

Josephine verstomde en keek peinzend naar haar hand, waarop de teugels vuurroode strepen hadden achtergelaten; daarna boog ze zich naar Von Hattenheim, die zwijgend gereedstond haar van het paard te tillen.

Hij zag zeer bleek, doch glimlachte. „Het was een lust u te zien!" zei hij.

„En was u niet bang voor mij?"

„Neen, ik was te zeker van u." De plompe leeren schoen van het jonge meisje rustte in zijn hand. Zonder te antwoorden, liet Josephine zich langs zijn krachtige gestalte glijden, knikte hem vriendelijk toe en verdween in het huis, om het ongemakkelijke lange rijkleed uit te trekken. Nog hoorde ze, hoe de kleine bezoekers door den tuin kwamen aanstormen, als gewoonlijk joelend en kraaiend, als gold het een wedijver met de bazuinen van Jericho.

Nog buiten adem trad ze haar kanier binnen en drukte de

Sluiten