Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handen tegen haar jagend hart. „Wat is het toch vreemd," dacht ze met brandende wangen, „en hoe verschillend zijn de beide vrienden! Die vervelende Hattenheim, dien men het kan aanzien, hoe onverschillig ik hem ben, en hij, Giinther, die mij zoo liefheeft!" En met een gelukkig gevoel boog „Haideröslein" zich naar het venster en keek naar den tuin, van waar het rumoer van stemmen haar tegenklonk.

Hattenheim stond bij den minister en tante Renate en streek verlegen over de krullende haren van een der kleinen, die hem met geweld bewijzen van haar vriendschap wilde geven. Giinther stond tegen het prieel geleund, omringd door andere kwelgeesten, die onder oorverdoovende betuigingen van hun vreugd hun twijfelachtig gekleurde handen en handjes dichter bij het toilet van den jongen man brachten dan wel wenschelijk was voor de lichte kleur.

Daarmee maakt Günther echter „korte metten," pakte den brutaalste als een dashond op, en hop! hop! daar zaten ze de een na de ander, zelfs in bonte rij, op het dak van het prieel. De kinderen beschouwden het als een grap en kraaiden van pleizier, doch Giinther hief nog eenmaal dreigend den vinger op, vatte Hattenheims arm en zei: „Ziezoo, van die plaag hebben we wat rust!" en volgde kalm zijn vader, die met tante Renate en mademoiselle naar het kasteel gegaan was.

Een ge&chreeuw als van moord en brand verhief zich boven van het prieel.

.,Maar, Günther, ben je van plan die kleuters daar te laten zitten?" vroeg Hattenheim.

„Natuurlijk, dan zijn we ten minste die schreeuwlelijken kwijt; ze maken mij waarachtig zenuwachtig," en de jonge graaf steeg de trap op.

Hattenheim volgde, doch na eenige minuten keerde hij terug, liep snel naar het prieel en bevrijdde de onvrijwillige luchtschippers.

Op algemeen verlangen zou na het avondeten, dat uit dikke melk, zwart brood, boter en ham bestond, het eerste gedeelte van de „lanciers' worden ingestudeerd. Mademoiselle

Sluiten