Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allerlei scheeve gezichten trokken en om tante Renate heensprongen. „Aha, ze weten niet wie we zijn!" dacht ze. „We zijn hier heelemaal vreemd en de mooie hoed steekt hun de oogen uit!" en met een overtuigd lachje klom ze in den grooten omnibus, welke haar eindelijk aan het doel van haar reis zou brengen.

De sneeuw viel dichter en dichter: het was reeds zoo donker, dat de voorbijgangers niet meer te herkennen waren ; hier en daar schitterden reeds gasvlammen in de winkels, en er was zulk een geraas van voertuigen en stemmen, dat Phine vermoeid de oogen sloot.

„Het kind is ook dood op!" knikte tante Renate. „Is me dat een reis, ik ben geradbraakt! We zullen op onze kamer gauw soupeeren en dan een, twee, drie naar bed; ze moet er overmorgen op het bal frisch uitzien!" En tante pakte de doozen bij elkaar en stond op met een zuchtend: „Goddank, daar zijn we er!"

Voor den grooten spiegel zat Josephine en werd eigenhandig door tante Renate voor het bal gekapt.

„Netjes glad en ordentelijk, dat je haar niet bij den eersten den besten dans om je hoofd vliegt!" zei mevrouw Von Wetter en draaide de schoone weelderige blonde haren zoo stijf en vast boven op de kruin bij elkaar, dat ze als een glanzende ver uitstekende punt een wonderlijk model aan het slanke hoofd gaven. Pomade werd niet gespaard, ieder krulletje werd stijf op het voorhoofd geplakt, zoo glad, dat men zich in de naar achter getrokken haren kon spiegelen. Rondom de vlechten legde tante Renate een grooten krans van witte en roode camelia's welke ze persoonlijk bij den hofbloemist besteld had; want Phine moest levende bloemen dragen, net als zijzelve, toen ze nog als gravin Malwitz aan het hof gedanst had.

Met groote, stralende oogen lachte het jonge meisje haar beeld in den spiegel toe; ze vond wel, dat ze er heel anders uitzag dan gewoonlijk, maar wel erg gekleed en plechtig.

Sluiten