Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De polka voor den cotillon?" ontsnapte haar lippen. „O wee, reeds bezet!" roept Lelirbach; „liet noodlot is mij niet gunstig, het spijt mij meer dan ik zeggen kan. — Maar, mijn God. wat scheelt u?"

Josephine klemt zich vast aan een stoel, die naast haar aan den muur staat, haar gezichtje ziet vaalbleek, ontsteld en wijd geopend staren hem de groote oogen aan, haar lippen trillen en de hand, welke zij tegen haar hart houdt, knakt

de witte camelia's.

„Voelt ge u ziek? Wil ik u naar een andere zaal brengen?" vraagt Lelirbach snel; zijn blik richt zich naar de zaaldeur, voor welke de hofmaarschalk met den langen staf verschijnt, waarmee hij driemaal luid op het paiquet slaat.

„Hunne Hoogheden komen! Om Gods wil, freule, wat scheelt u toch?' herhaalt de jonge man meer ongeduldig dan angstig.

Josephine schudt haar hoofd: het is alsof in éénoogenblik haar gelaat veranderd is, haar stem klinkt heesch en onnatuurlijk.

„Het is voorbij, Graaf Lelirbach," zegt ze; „ik dank u voor uw hulp, verzuim toch den dienst niet!" zonder een antwoord af te wachten, schrijdt ze met opgeheven hoofd door de zaal naar tante Renate, die alleen op een der sofa's zit. Lelirbach heeft haar woorden nauwelijks gehoord; al zijn belangstelling geldt Hunne Hoogheden, die zoo juist zijn binnengetreden, en welke hij snel te gemoet ijlt, om vooraan in de lange rij van lieeren, diep en glimlachend te buigen.

Werktuigelijk als een marionet, bleek als de witte, welkende bloemen in haar krans, heeft Josephine gebogen, toen ze door gravin Aosta aan Hunne Hoogheden voorgesteld werd. Met strakke oogen ziet ze op naar de van brillanten schitterende hertogin-moeder; eenige vriendelijke woorden, welke ze hoort zonder ze te begrijpen, suizen haar in de ooren. „Ge zult nu zeker langen tijd bij ons blijven?" eindigt de hertogin en Josephine neigt weer en zegt met een heesche stem: -Dat hangt van God af."

Sluiten