Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIENDE HOOFDSTUK.

Josephine was alleen blijven staan, toen Sylvia aan den arm van haar cavalier gehoor had gegeven aan de lokkende tonen der wals en de stoet heeren en dames het paar gevolgd had. Met doffen blik staarde ze op het in elkaar loopende patroon van het Perzische tapijt en op de witte bloembladen, die uit haar ceintuur gevallen waren en stierven onder de meedoogenlooze schreden der voorbijgaanden, evenals eenmaal de roos in het park van Lehrbach vertreden werd door Günther, toen hij tot haar zeide: „Wem nie durch Liebe Leid geschah...!" Ja, zij leed nu, zij leed nameloos! Het was haar nog een treurige onheilspellende droom, ze was nog niet in staat zich den geheelen omvang van haar smart duidelijk voor te stellen; het vreemde leven om haar heen drukte haar als een centenaarslast op de schouders, ze had in luide klachten lucht willen geven aan haar verdriet, doch ze drukte haar lippen stijf op elkaar en had een gevoel, alsof haar keel dichtgesnoerd was. Ach, kon ik slechts weenen, was ze maar alleen! AI dat licht hindert haar, die wilde vroolijke muziek breekt haar hart. Daar treft een stem haar oor. „Freule Josephine," klinkt het vriendelijk, „wat hebt u het mij moeilijk gemaakt u te vinden; kom gauw mee, onze dans is al lang begonnen!"

Zij slaat haar blauwe, onnatuurlijk schitterende oogen naar den spreker op en zegt met zachte, bevende stem: „Wilt u met mij dansen, mijnheer Von Hattenheim?"

Verschrikt buigt hij zich naar haar toe: „Zeker, wil ik dat; ik heb er mij zelfs op verheugd, want sedert lange jaren is

Sluiten