Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste sport van de ladder, welker spits uitloopt in een veldheersstaf. Misschien kan hij andere ooren vinden, die voor hem hooren, andere oogen, die voor hem zien; zoovele der andere dames gaan zoo gaarne naar den wintertuin. Opgepast dus, daar komen al twee, drie personen! Hoe jammer!

Het is Hattenheim, Lehrbachs beste vriend, zijn nicht Ange von Lattdorf en het kleine, witte suikerbrood uit Stauffen. „Die freule Von Wetter is zoo kwaad niet, als men op het eerste gezicht wel zou denken; ze heeft prachtige oogen, is lelieblank en heeft een mondje om te stelen... Arme kleine, het is hard, dat zich niemand over je balboekje ontfermde. Ik had graag met je gedanst, ik, jonkheer VonReuenstein.de ordonnance-officier van zijne Hoogheid, want niettegenstaande je potsierlijk toilet bevalt je allerliefst gezichtje mij bijzonder! Maar hoe kon ik! ik de ordonnance-officier? De heele wereld drijft den spot met je! Men noemt je Ganzen-Lize, en het ergste is, dat Lehrbach je omgeving als meer dan arm geschilderd heeft. Je bent dus niet eens een goede partij! En alleen om je mooie oogen zou ik zoo dwaas zijn tegen den stroom op te zwemmen? Het spijt me, allerliefst kind, maar daartoe ben ik te zeer een hoveling, — en die huilt met de wolven, waarmee hij in het bosch is!"

Zoo luidden ongeveer de woorden, die de jonge officier bij den (schoorsteen tot zichzelf sprak, terwijl hij in gedachten zijn blik liet gaan over de voorbijgaanden.

Sylvia en haar begeleider hadden een plaats gevonden op een bank in den wintertuin, waar fonteinen hoog opsprongen te midden van oranjeboomen, en andere tropische planten. De kleine Hoogheid leunde ver achteruit tegen de donkere takken van een camelia en zag op naar Lehrbach, die schuins achter haar tegen de bronzen leuning steunde en zich dicht naar haar toe boog.

„En wat hebt ge mij te zeggen, Uwe Hoogheid?" vroeg hij zacht.

Sylvia haalde snel adem. „Ik moet je de les eens lezen, slecht mensch!" riep ze met een blik, waarin coquetterie en

Sluiten