Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tooverbrug, die zelfs de wijdst gapende kloof overspant Laten wij dus hopen op krijg en roem, die u die kroon medebrengt 1"

Een spottend lachje plooide zich om de lippen der spreekster, en de woorden „die kroon:' klonken als het giegelen van den kleinen hoogmoedsduivel.

Met gefronste wenkbrauwen had Lehrbach gestaard op den lauriertak, doch snel werd hij zichzelf meester, lachte met zijn innemendst lachje en bracht de hand met het groene takje aan zijn lippen.

„Gelukkig voor mij, dat deze hand den eersten tak geplukt heeft van een krans, die het groote doel van mijn leven zal worden !"

Op hetzelfde oogenblik klonken de doffe schreden op het met zand bestrooide voetpad; verschrikt trad Josephine Von Wetter terug en staarde doodsbleek op Günthers schoon gelaat, dat zich nog steeds boog over de hand der prinses.

Lehrbach richtte zich op, wierp met een glimlach, en een snellen blik op Josephine, Ange en Hattenheim, het hoofd in den nek en trad hen met een ietwat gedwongen zelfbewust

gezicht voorbij.

Sylvia lachte eens tegen Ange, klopte Josephine en passant op den schouder en sprak:

„Ge hebt uw mooien vriend van den zomer een uitmuntende opvoeding gegeven, little country-girl! Die paar weken in landelijke eenzaamheid hebben hem tot den meest bescheiden mensch gemaakt, dien men zich denken kan, en die zelfs de hand kust, welke hem het bittere laurierblad reikt!"

Josephine bleef staan en zag het paar na, totdat Sylvia's luide stem wegstierf en haar kanten kleed verdween achter de pilaren van de zaal; daarna streek zij werktuigelijk met haar hand over het voorhoofd, richtte de groote, glanslooze oogen op Hattenheim, en vroeg als iemand, die plotseling uit een langen droom ontwaakt:

„Kan een prinses dan een man trouwen, die geen vorstenkroon draagt?"

Sluiten