Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hattenheim keek voor zich heen, doch Ange lachte zonderling en antwoordde: „Ze kan het wel, maar... ze doet het niet. Ik moet altijd denken aan de geschiedenis van de nachtuil, die hoog den berg op en om het licht vloog, en wist, dat hij moest verbranden . . .

Hattenheim sprak ernstig: „De nachtuil was een domme kwant! zegt het slot van het sprookje.''

„Er was een huzaren-officier, die hoog, heel hoog den berg op wilde!" zei Ange en schudde ironisch het hoofdje . . . en zich de vleugels brandde... dat zal wel het slot van het sprookje en van de werkelijkheid zijn!"

Het is hier zoo warm, ik kan geen roode rozen zien!" sprak Josephine met bevende stem. „Laten we hier vandaan gaan!''

Tante Renate zat nog alleen, toen de drie jongelieden tot haar terugkeerden. Haar scherpe blik zag het bleeke, ontdane gelaat van Josephine.

„Ben je ziek, Phine?' vroeg ze kortaf.

Als door tranen heen zag het jonge meisje haar aan.

„Ik heb hoofdpijn, tante!" stemde ze toe, doch drukte daarbij haar hand op haar hart.

Barones Von Wetter stond snel op „Laten we dan naar huis gaan."

„Ja, naar huis!" klonk het als een kreet van verlichting

„Nu al, vóór het souper, barones?'' riep Ange met oprecht gemeend leedwezen. „Hoe jammer voor onze plannen: we hadden zoo gezellig aan een tafeltje bij elkander kunnen zitten!"

Tante Renate drukte haar de hand. „Ge meent het goed, maar ik geloof, dat Phine en ik niet meer verlangen naar verder genot; ons eenvoudige menschen van het land ligt zoo'n feest toch al zwaar in de maag! Groet uw lieve moeder van mij; ik wil haar niet storen, want ze praat met de hertogin, en verzoek haar ons heengeen bij de hertogelijke familie te excuseeren door de ongesteldheid van Phine!"

Het was Josephine, als hing er een nevel voor haar oogen,

Sluiten