Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den mond; het voorhoofd schijnt hoekig geworden te zijn en een kleine rimpel plooit zich scherp tusschen de donkere wenkbrauwen; zij heeft het karakteristieke kenmerk der familie gekregen, waarnaar men de vrijheeren Von Wetterzoo dikwijls „de stijfhoofden" noemde. Ook haar blik is veranderd; wel is hem de zonnige glans nog eigen, doch deze toont zich niet zoo vaak meer als vroeger; hij schijnt zielvoller, denkender, en meer in zichzelf gekeerd; dikwijls zelfs teekent hij fierheid en onbuigzame trots. De kunstige hand der modiste heeft elke gelijkenis met het „Haideröslein" uit Grosz-Stauffen doen verdwijnen; wanneer Josephine haar oogen vestigt in den grooten spiegel op het beeld, met het sierlijke, lokkige hoofd, het elegante kleed en de fraaie hooggehakte schoentjes, en dan terugdenkt aan de stijve katoenen jurken en de bespijkerde laarzen van vroeger, dan drukt ze onwillikeurig de kleine hand tegen de kloppende slapen, en alles is haar als een droom.

Ver achterover geleund ligt ze in den grooten stoel en staart droomerig naar de dwarrelende vlokken daarbuiten; zoo had ook de snerpende wind de stuivende sneeuw in dolle vaart voortgezweept op den avond, die het keerpunt in haar leven zou worden.

Als schaduwbeelden trekken de uren, de gestalten van dat bal haar voorbij; haar hart krimpt ineen bij de gedachte aan al het bittere leed, dat haar jonge vertrouwende ziel zoo meedoogenloos werd aangedaan; de wond, die valschheid en spot haar sloegen, bloedt nog voort, ofschoon ze uiterlijk kalm geworden is, evenals de waterspiegel, waaronder veel bloeiende levens begraven liggen, die storm en vloed naar de diepte sleurde.

De herinnering aan het eerste bal vervloeit in een stroom van tranen. Ternauwernood weet Josephine zich te herinneren, hoe het gekomen is, dat zij hier op Villa Carolina een tweede thuis heeft gevonden. Ze weet nog, dat oom Bernd den volgenden morgen met een opgetogen gelaat heel veel te vertellen had gehad van het uitmuntende souper en van

Sluiten