Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had, — een teeken dat Hare Hoogheid weder iets wilds in den zin had. Aan hare zijde reed prins Detleff, dan de zoon van den opperstalmeester en eindelijk graaf Lehrbach. Zij werden gevolgd door Ilse von Dienheim, wier figuur bijzonder hoekig scheen, en wier bewegingen te paard nog veel ruwer geleken dan anders het geval was. Naast haar reden Hattenheim, baron d'Ouchy en freule Von Wetter.

Hare Hoogheid had met een onderzoekenden blik GanzenLize gemonsterd en half spottend, half boosaardig gelachen, toen deze de teugels greep. Toen zij echter, met de woorden: „Het beest heeft waarachtig nog sporen van het Lavetheimer kreupelhout aan den linkerpoot," een onvoorzienen, heftigen zweepslag tegen de voorpooten van Sorma gaf, zoodat het dier verschrikt ter zijde sprong, imponeerde haar toch de koelbloedigheid van „the little countrygirl," die geen oogenblik haar houding verloor.

„Rijdt freule Von Wetter Sorma?" vroeg baron d'Ouchy verwonderd. „Is het niet wat gewaagd, Uwe Hoogheid, een jonge dame dit wilde paard toe te vertrouwen ? Onze beste cavallerie-officieren hebben er moeite mee gehad. Sorma is een halsbreker en sedert tien dagen niet van stal geweest.''

„Als freule Von Wetter bang is voor een ietwat vurig temperament, kan ze over een ander beschikken," antwoordde Sylvia vol bijtende ironie; we hebben helaas nog exemplaren op stal, welke een oude vrouw nog wel zonder zadel berijden kan."

Josephine glimlachte. „Ik verzoek Uwe Hoogheid Sorma zonder gemoedsbezwaren aan mij over te laten; we zullen wel aan elkander wennen.''

Daarna was men weggereden, door den slottuin in gematigden draf, en daarna door het bosch, dat door een niet al te hooge haag afgesloten was. De oude houtvester kwam schielijk toeloopen om de hekken voor het gezelschap te openen. Sylvia riep hem echter een onbehouwen: „Ben je dol, oude; laat dat!" toe, gaf haar vos een geduchte striem op den nek en sprong voor allen over het hek; met een forschen ruk

Sluiten