Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Me voila!" schreeuwde ze met een gloeiend gelaat, haar dampend ros voor de houtvesterswoning pareerende. „De nauwe weg liet niet toe, dat ik naast Hare Hoogheid reed, anders was ik er te gelijk met haar geweest!"

„Praatjes!" lachte Lehrbach. — Uw zwarte is veel te welopgevoed om de prinses den triomf te ontnemen en heeft veel te weinig „race" om het tegen Caesar vol te houden."

„Waar is de kleine Von Wetter?" riepen Detlef en d'Ouchy te gelijk. Hattenheim was reeds de kromming van den weg omgereden en wuifde haar met zijn zakdoek toe.

„Zoo ver achter?" vroeg Günther verwonderd. „Is er wat met het paard gebeurd ? Is het kreupel ?"

„Hoera!" klonk het plotseling; d'Ouchy deinsde achteruit.

„Ongeloofelijk! — Mijn God, freule Von Wetter rijdt zonder zadel!"

Hij was van het paard gesprongen had de teugels aan een der toeschietende knechts toegeworpen en liep het jonge meisje tegemoet, dat vroolijk lachend in gestrekten draf uit het bosch kwam aandraven.

„Mijn God, freule! hebt ge bij Renz ter school gegaan?" riep Detleff verwonderd.

„Dat niet Uwe Hoogheid, — maar ik ben in vrijheid gedresseerd, zooals oom Bernd zou zeggen!" antwoordde ze van haar eigenaardige zitplaats. „En dan, nood leert bidden en wagen!"

D'Ouchy stond aan haar zijde; zijn gelaat straalde, met fonkelende oogen zag hij tot haar op en hief zijn arm op om haar behulpzaam ie zijn bij het afstijgen. Met haar hand op zijn schouder steunende liet ze zich langzaam van het paard glijden.

„Zijt ge nu nog ongerust?" vroeg ze hem schalks.

Intusschen had de houtvester de prinses van het paard geholpen. Nieuwsgierig gluurden meisjes en kinderen voor de vensters. De heeren omringden Josephine. „Hebt ge een ongeluk gehad? Waar is het zadel?" vroeg Hattenheim met

Sluiten