Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kaf, dat de wind met zich nam, zoodra hij haar den rug toe^ keerde, en toch lag er zulk een betoovering in die stralende oogen, zulk een macht in die vriendelijke vragende stem.

Josephine bracht zich het oogenblik voor den geest, waarop' diezelfde stem haar verzocht had om de polka vóór den cotillon. Een vlijmende smart deed haar hart ineenkrimpen en den trek der Von Wetter's tusschen de wenkbrauwen scherper uitkomen; zij vermeed hem aan te zien en met lichte ironie krulde zij de lippen.

„En zoudt gij mij ijdel willen maken met de gedachte, dat gij u dien zomer goed herinnert?"

„IJdel maken? Ge bewijst mij door dit woord, dat u mijn doen en laten niet onverschillig is en gij nog eenigszins hecht aan mijn gedachten."

Zij zag hem aan, een nauw merkbaar lachje speelde om haar mond. „Natuurlijk ter wille van Hattenheim!"

Günthers sporen rinkelden, zoo hard zette hij zijn voet op den grond.

„Hoe dankbaar moet ik Reimar toch zijn!" lachte hij, sloeg met zijn karwats de groene toppen der dennetakken af en bleef zwijgen.

Fritsje werd spraakzaam, hield Josephine in zijn plaats bezig, vatte haar hand en trok haar met veel haast mee naar een kleinen heuvel; op een soort van plateau stond de kolossale eik, welke door het volk in den omtrek „de dikke houtvester" genoemd werd, omringd van zijn steenen rustbanken en gestut door palen, welke de zwaarste onderste takken bewaarden voor doorbreken. Zoover het oog ging, strekte zich het vlakke land uit, slingerde de rijweg zich als een lichtkleurig lint tusschen bosch en veld en brachten de torens en koepels der residentie hun groet aan de hooge, slanke dennen van het woud.

«Kijk eens: daar kan ik de prinses nog zien!" juichte de kleine Frits en wees met zijn vinger naar het dal, waar Sylvia's cavalcade juist uit het bosch kwam aanrennen, dat hen eenigen tijd verborgen had voor het oog der achterblijvenden.

Sluiten