Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hattenheim schreef zeer humoristisch terug, dat hij hare Hoogheid toch onmogelijk verzoeken kon zijn eenig lievelingslied — hij was in dit opzicht eenzijdig evenals de oude Dessauer — „Ich liatt' einen Kamerade" voor te dragen, en dat hij daarom afzag van het voorrecht eener eigene keuze. Verder voegde hij er de verzekering bij, dat elk lied, gezongen door de prinses, voor hem even schoon en onvergetelijk zou zijn!"

„Ik mag dien dikken Hattenheim wel," had Sylvia gezegd, toen Ilse den brief had voorgelezen.

Algemeene stilte heerschte in de rijk verlichte, met gasten gevulde zaal; slechts het kraken van den satijnen waaier, die zacht door de hertogin-moeder bewogen werd, was hoorbaar; voor den concertvleugel had gravin Ange von Lattdorf plaats genomen en accompagneerde Léon d'Ouchy, baron de la Bruyère, die de rij der muzikale voordrachten opende met een wilden, onstuimigen czardas. Vlak voor de tribune waren de vorstelijke personen geplaatst; hertog Franz Eginhard zat naast zijn moeder; dan volgde de erfprins Karl Theodoor, een ernstig man met een vollen donkeren baard en doordringende oogen, in de uniform van het garde-regiment huzaren; links van hem had Sylvia plaats genomen; na haar kwamen prins Detleff en de grootmeesteres en eindelijk de verschillende hofdames, die zich hadden aangesloten, naar gelang haar rang en de étiquette het vorderde.

De jonge meisjes zaten op de laatste rijen achter de echtgenooten der ministers, gezanten en hooge autoriteiten, terwijl geheel op den achtergrond tot ver in den wintertuin, de oude en jonge heeren door elkaar stonden. Naast de tribune, op een canapé tegen den muur zaten de medewerkenden. Ilse, Josephine, Hattenheim en Lehrbach hadden mede daar een plaats bij elkander gevonden.

D'Ouchy overtrof zichzelf, en Ange begeleidde hem meesterlijk; het was als een tooverregen vol gloed en vonken, die de viool van den jongen diplomaat neer deed storten over de hoofden van zijn toehoorders.

Sluiten