Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewijzen van het vertrouwen, dat ge in mij stelt, geven er mij eenigszins het recht toe, ik beschouw mij als uw vriend!" Reimar streek het blonde haar over zijn voorhoofd;blijkbaar kostte het hem veel moeite te spreken: hij toch was gewoonlijk niet rad met de tong en nu waagde hij zich plotseling

aan diplomatische kunststukken.

Josephine zag hem ernstig aan; haar stem beefde van ontroering. „Ja, gij zijt een goed vriend voor mij geweest, Von Hattenheim! Wie heeft meer aanspraak op dien naam dan gij? Spreek openhartig. Ik zal u, welke vraag gij mij

ook stelt, antwoorden."

Hattenheim wachtte even en boog het hoofd dieper, „uünther heeft u in Grosz-Stauffen veel oplettendheid bewezen: —

was hij u onverschillig?"

„Neen," klonk het kalm en rustig van hare lippen.

„En is hij u nu nog niet onverschillig?"

Phines gelaat zag even kleurloos als de witten kanten van haar kleed, doch zij antwoordde: „Neen, ook nu nog niet; mijn hart is een wonderlijk ding: het kan zelfs in den winter niet vergeten, dat het zomer geweest is."

„De tijd gaat snel voorbij: spoedig draagt de aarde weder bloemen en begroet een nieuwen zomer; ook gij gaat door sneeuw en ijs de komende lente te gemoet. Günthers ijdelheid krenkte uw trots bij het eerste wederzien. Zijt ge nog altijd boos op hem om dat oogenblik van zwakheid? Het was wel is waar zeer leelijk, maar toch zeer menschelijk

Zij schudde glimlachend het hoofd. „Boos? Neen! Slechts onverstandige kinderen klagen, als zij zich steken aan den doorn der roos. Ik ben hier bijzonder oud en verstandig geworden, en daar ik aan de strenge meesteres, ervaring in de school van het leven, mijn leergeld betaald heb, gaf zij mij als troost de berusting, die ons leert ons lot geduldig en zonder

morren te dragen."

Hattenheim hield een oogenblik de hand voor de oogen en ging na een korte pauze voort: „Mijn vriend doet alles om zijn onrecht tegenover u goed te maken. Hij tracht u veel te

Sluiten