Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Josephine had gevolg gegeven aan een uitnoodiging van Maria Christina en was in het paviljoen thee gaan drinken, om met Hare Hoogheid te spreken over een verloting, welke deze gearrangeerd had ten bate van het stedelijk armenhuis.

Freule Von Wetter verheugde zich in hooge mate over de genegenheid welke de Katholieke haar toedroeg, tot groote verwondering der tegenpartij, die dadelijk gezien had, dat het jonge meisje niet overvroom was of neiging toonde diakones te worden. Integendeel, Ganzen-Lize was bijzonder levenslustig, bezocht de kerk volstrekt niet geregeld en verheelde het voor niemand, dat zij er absoluut geen genoegen in vond, behulpzaam te zijn in de breischolen of hospitalen. Men zag haar nooit in de liefdadigsheidsgestichten der hertogin.

„Hoe is dat mogelijk? Hoe kunnen die beiden harmoniseren?" vroeg men zich af.

Freule Von Wetter gaf daarvan een zeer eenvoudige uitlegging. „Hare Hoogheid oordeelt het een onrecht iemand in zijn godsdienst niet vrij te laten, en wanneer men uit zichzelf de behoefte niet gevoelt zich nuttig te maken in den dienst der kerk, dwingt zij er niemand toe; gedwongen weldaden brengen geen zegen. Ook meent zij, dat ik nog te jong ben om mij te wijden aan het verplegen van zieken en het bezoeken van armen. Het is nu nog de tijd om te dansen en vroolijk te zijn; het leven doet spoedig genoeg zijn ernst gevoelen. Een geloovig hart en een opgewekte geest zijn Gode even welgevallig als zuchtende gebeden en boetedoeningen.

Men haalde dan de schouders op, alsof men Josephines

Sluiten