Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woorden niet geheel begreep; men had zeker verwacht, dat freule Von Wetter op een goeden dag als „Zuster" uit het paviljoen zcu zijn te voorschijn gekomen, want Maria Christina was immers een fanatieke heilige, die zelfs haar eigen kind op het altaar der barmhartigheid geofferd had. ledereen wist immers, dat de kleine prinses de doodelijke ziekte, die haar ten grave sleepte, opdeed in een gasthuis, waarheen Maria Christina haar mee genomen had. Men beschouwde dus die vriendschap met de grootste belangstelling.

Het beraadslagen der dames had langer geduurd, dan men gedacht had; de zon die op den korten Februaridag even door de wolken gebroken was, had reeds lang afscheid genomen en enkele sterren schitterden reeds aan den donkeren, bewolkten hemel.

Josephine was de laatste, welke vertrok. Hare Hoogheid had haar met enkele vragen betreffende haarzelf eenige minuten langer bij zich gehouden.

De lakei der Lattdorfs stond met een lantaarn in de vestibule te wachten; de hofmaarschalk was aan het hof ontboden en dus met het rijtuig uitgereden. Josephine vond er een genot in door het donkere, stille park te gaan, wanneer de wind door de takken blies en de hooge dennen deed ruischen; het klonk als een stem uit Stauffen en herinnerde haar het lieve, oude „tehuis".

Dicht gehuld in haar bonten mantel spoedde het jonge meisje zich voort over den eenzamen weg. Hendriks lantaarn wierp een roodachtig schijnsel op de slanke gestalte en op de beuke- en pijnboomen, die aan beide kanten de laan begrensden. — Nadat Josephine eenige oogenblikken was voortgegaan, wierp zich de schaduw van een man tusschen de boomen, en trad een gestalte met de woorden: „goeden avond, freule Josephine,'' dicht aan haar zijde.

Het was Lehrbachs stem; verschrikt zag het jonge meisje op.

„Gij hier? Op dezen tijd? Met dit weer?"

„Zooals gij ziet! But my little self .... Staat ge mij toe, dat ik u begeleid ? Het is laat geworden, men heeft van avond

Sluiten