Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en daardoor veel onheil gesticht — dank God, dat Josephine een liefde uit haar hart rukte, die jij niet beantwoordde en

nooit beantwoorden kon!"

„Nooit beantwoorden kon!" Er lag een onuitsprekelijke uitdrukking in de woorden, die Günther zacht fluisterend herhaalde. „Kunt gij in mijn hart lezen? Weet gij, wat ik gevoel? Het noodlot gaat zonderlinge wegen, doch vindt toch eindelijk zijn doel. Ik moet er in berusten. Wat vraag jij te midden van het geluk naar het leed van anderen. Jij hebt het ijzer tot aan den ring gesmeed, terwijl het heet was; - mijn hamer was de overmoed, die het aanbeeld met 'een enkelen slag in den grond deed verdwijnen. — Verloren is verloren! Geniet van je geluk, Reimar, vergeef mij de woorden, die ik in mijn drift sprak. Ik hield nog vast aan de hoop slechts bij Josephine belasterd te zijn en geloofde nog alles goed te kunnen maken. Nu is mij de blinddoek van de oogen gevallen, ik voel nu den grond onder mij wegzinken, - juist nu ik mijn leven zou willen geven om het gebeurde ongedaan te maken. Jij hebt den tijd van storm achter je, jou gelukszon komt laat, maar des te stralender' Dat God haar onbewolkt voor je moge doen blijven! — Vaarwel, Reimar, — spreekt nooit weder over dezen avond: hij zou schaduw werpen op onze vriendschap, en die moet blijven, wat ze eenmaal was."

Het schoone gelaat van Lehrbach sprak van berusting; toch was er een klank in zijn met moeite bedwongen stem, die Reimar tot in het diepst van zijn hart trof. Langzaam trad hij naar Lehrbach toe, legde zijn hand op zijn schouder en zag hem ernstig en vast in de oogen.

„Günther," sprak hij teeder, „je drift heeft mij tot een indriscretie gedwongen, die Josephine mij niet licht zou vergeven, indien zij het wist. Zij wenscht dat je nooit zult weten, hoezeer je ondoordachte woorden haar het hart deden bloeden. Ik verzoek je dus met haar te blijven omgaan als vóór ons gesprek. Ook gebiedt mijn plicht mij je te zeggen, dat nog geen verbindend woord tusschen Josephine en

Sluiten