Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weldra volgde Josephine haar: verraderlijk drongen zich de tranen naar haar oogen, zij ijlde naar haar kamer, waar zij, door niemand bespied, lucht kon geven aan haar angst.

Na eenigen tijd trad Ange binnen. „Ik heb aan Reimar geschreven en hem verzocht ons onmiddellijk bericht te zenden, wanneer zich iets mocht ophelderen."

Josephine sloeg de armen om haar hals. „Dat het toch spoedig moge zijn!" snikte zij. „Anders doodt de opwinding den armen man! Nog kort geleden klaagde hij, dat hij zich ziek gevoelde!"

„Moge God ons allen genadig zijn!"

Er lag meer in Anges stem, dan enkel zorg betreffende het ongeluk der Lehrbachs.

Het was een sombere, grauwe winterdag. In de antichambre van het hertogelijk paleis klonk een geheimzinnig fluisteren; de vleugel-adjudant, twee kamerheeien, de plaatsvervangende minister en de officier van justitie stonden in de vensternissen, staken de hoofden bij elkaar en gesticuleerden en praatten op levendige wijze. Heden zou het beslist worden. Het ministerie schudde op zijn grondvesten: een crisis was ingetreden, welke den bodem onder de voeten van den eens zoo machtigen gunsteling angstwekkend deed wankelen.

Zoo spoedig in het kabinet van den hertog een verstaanbaar woord weerklonk, verstomde het ijverig gefluister in de antichambre en allen luisterden met ingehouden adem. Vooral de officier van justitie beefde van opgewondenheid; een donkere gloed bedekte zijn voorhoofd en wangen, zijn kleine, scherpe oogen fonkelden en de sterk geparfumeerde zakdoek in zijn hand werd zenuwachtig heen en weer bewogen. Graaf Lehrbach was nooit zijn vriend geweest; sedert jaren had hij gesmacht naar het oogenblik om den trotschen despotischen man te kunnen vernederen, doch nooit had hij het geringste kunnen vinden om hem van zijn voetstuk te doen neder-

Sluiten