Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fonkelende oogen bestreed zij den laster, die tot haar doordrong.

Die oude, eerbiedwaardige man zou een dief zijn? Dat edele gelaat met de vriendelijke oogen en den melancholieken glimlach om den mond zou in staat zijn tot leugen en bedrog? Het was onwaarheid! Nooit, neen nooit zou zij het gelooven! En nu hadden allen hem verlaten en lag hij alleen, geheel alleen op het ziekbed uitgestrekt.

Wie is bij hem? Men weet het niet; men vermoedt zijn ouden kamerdienaar, misschien zijn zoon! Maar zijn die beiden dan in staat zulk een zwaren zieke te verplegen?

De graaf is aan de rechterzijde geheel verlamd, zelfs van de spraak beroofd. Biedt dan geene der dames, die zich nog voor korten tijd op de feesten Zijner Excellentie zoo kostelijk vermaakten, haar hulp aan, om hem met zachte teedere hand te verplegen? Geene van allen. De drempel van dit huis wordt geschuwd, men wendt het hoofd af, wanneer men voorbijrijdt, — en zich dan opwerpen als trouwe vriendin en verpleegster worden bij den in ongenade gevallen gunsteling? Zulk een geringschatting van de vorstelijke gunst zou immers nooit vergeven zijn geworden. Nadat al die gedachten Phine den geheelen nacht hadden wakker gehouden, begaf zij zich den volgenden morgen naar de kamer der grootmeesteres, verklaarde haar, dat zij vast besloten was den minister te gaan verplegen en verzocht haar, haar naar de zieke te brengen.

Een ietwat verlegen uitdrukking overtoog het gelaat van gravin Lattdorf. Zij bracht Josephine aan het verstand, dat zij rekening moest houden met de positie van haar man en de algemeene opinie niet mocht trotseeren. Zij twijfelde niet aan de onschuld van graaf Lehrbach en was dezen ook vriendschappelijk genegen, doch dit op zulk een in het oog loopende wijze te toonen, verbood haar de achting en toewijding, welke zij den hertog als grootmeesteres en echtgenoote van den hofmaarschalk was verschuldigd. Het was immers niet bewezen, dat graaf Lehrbach onschuldig was aan den diefstal, —

Sluiten