Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gepeins: Güntlier stond achter hem en legde zijn arm om Reimars hals.

„Mijn goede Reimar," sprak hij zacht, „hoe zal ik ooit mijn schuld aan je kunnen voldoen!"

Het oude verlegen lachje speelde om Hattenheims mond. „Dat's nonsens, beste jongen," zei hij hoofdknikkend; „ik ben hier om wat uit te rusten, maar ik heb tot nu toe zitten lezen! Heb je al gepakt? Waar was je toch? Tevergeefs heb ik bij je aangeklopt!" Er lag een onuitsprekelijke teederheid in den blik en de stem van Hattenheim; hij had zich vast voorgenomen zich niet in de laatste uren te laten meeslepen, en nu streelde hij de donkere krullen van zijn jongen vriend zooals een moeder haar kind liefkoost.

„Günther richtte zich op. „Ga met mij in de andere kamer," fluisterde hij met een blik op den slapende.

Hattenheim volgde hem op de teenen naar het naaste vertrek, waar Günther een briefje uit zijn zak nam en dit aan Reimar overhandigde, met de woorden: „Zie eens, welke vurige kolen men op mijn hoofd stapelt!"

Reimar las; het was een schrijven van de hertogin Maria Christina, waarin zij den jongen graaf verzocht haar een bezoek te komen brengen.

„Ben je er geweest?"

Günther knikte. „Ik kom juist bij haar vandaan."

„En wat was het doel van die audiëntie ?"

Günther had zich op de sopha laten vallen en streek met zijn blanke hand door zijn haar.

„Het was een gang door het Vagevuur!" zeide hij met bevende stem. „Het was de verschrikkelijkste vergelding, die ik voor al mijn dwaasheden ontvangen heb! O, Reimar, waarom worden den mensch meest te laat de oogen geopend? Waarom duldt de goddelijke gerechtigheid, dat men onbezonnen en roekeloos door het leven holt en lichtzinnig den spot drijft met het beste en het edelste? Hoe dikwijls heb ik de ernstige, bleeke vrouw bespot! Hoe vaak heb ik haar, en allen die haar aanhingen, door mijn teekeningen belachelijk

Sluiten