Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Günther zag somber op. „De wispelturigheid van het geluk heb ik leeren kennen, en ik vertrouw het niet meer. Ik wil voortaan op mijn eigen beenen staan. Hoe moeilijker de weg, hoe grooter de triomf, warneer ik het doel bereikt zal hebben. Denk je, dat de praatjes, die omtrent mij loopen, mij niet ter oore zijn gekomen? Men verwondert zich wat er worden zal van den onbeduidenden, oppervlakkigen Lehrbach, die met moeite het officiersexamen deed. Kunstrijder misschien in een cirque — spot men — want in het rijden was hij steeds een meester

„Vind je niet, Reimar, dat dat een waardig eind is voor de schitterende loopbaan van het gelukskind? — Ik zal hun bewijzen, dat men nog andere lauweren verwerven kan, dan die, welke de manége aanbiedt? En al zou er ook een wonder gebeuren, dat mij terugvoerde in het verloren paradijs van mijn vroeger leven en mij mijn goeden naam weer teruggaf, ik zou het niet prijzen als een geluk en er bezit van nemen. Fier zou ik den eenmaal ingeslagen weg vervolgen, om de menschen te toonen, dat de onbeduidende graaf Lehrbach zich door eigen kracht een plaats in de wereld veroveren kan!"

„Dat het je gelukken moge — en God je kracht en geduld schenke tot een leven van arbeid, ontbering en verootmoediging! Ik vrees, dat de tegenstelling te scherp zal zijn: je kent den vloek van den arbeid nog niet, je weet niet wat het zeggen wil zich te moeten vernederen. Ik heb er over gedacht, of het nu niet een zegen voor je geweest zou zijn, indien je de verloofde van een prinses Sylvia waart. Hoe anders zou alles dan afgeloopen zijn!"

De onderzoekende blik van Reimar scheen tot in het diepst der ziel van den jongen officier te willen lezen; angstig wachtte hij een antwoord.

Günthers oogen fonkelden. „Geloof je het waarlijk? Opdat het eene ongeluk bij het andere gekomen zou zijn, wensch je mij een vrouw toe, die ik nauwelijks achten, en ik niet liefhebben kan? Je hebt een zonderling begrip van geluk.

Sluiten