Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het moet waar zijn, dat ik, zooals de menschen zeggen, sedert eenigen tijd opmerkelijk veranderd ben. Vroeger liet ik mij verblinden door een kroon en hechtte daaraan meer waarde dan aan het hoofd, dat die kroon droeg: toen zou ik mijn hart geofferd hebben op het altaar der ijdelheid. Toen was ik het gelukskind, waarover Fortuna haar hoorn van overvloed had uitgestort, en ik strekte de handen uit naar een nog schitterender lot en streefde zelfs naar een vorstenkroon. Nu ben ik een bedelaar: eer, geluk, geld, alles heb ik verloren, en toch, geloof mij, Reimar, toch zou ik Sylvia geen ander antwoord geven, dan ik haar onlangs gaf. Want het eenige wat ik uit de groote schipbreuk redde, is mijn hart, en dat verkoop ik niet voor een kroon!"

Hoog opgericht, trotscher dan ooit in de dagen van zijn geluk, stond Günther tegenover zijn vriend. Ja, de menschen hadden gelijk: hij was een andere geworden.

Hattenheim zag hem gelukkig aan en knikte zwijgend. „Dat is jou werk," dacht hij bij zich zelf; „het is gelukt. Wel was het geneesmiddel bitter, doch het heeft je vriend naar lichaam en ziel gehard doen worden!'

Günther trad nu naar het ziekbed, boog zich over het grijze hoofd van zijn vader en staarde treurig in de wijd geopende, wezenlooze oogen. Roerloos lag de minister daar, geen blik, geen beweging verraadde, dat hij zijn eenig kind herkende. En zoo, zoo van hem te moeten scheiden!

Een namelooze smart maakte zich meester van den jongen man, brandend heete tranen in zijn oogen; hij knielde naast het bed neder en drukte het gelaat in het koele linnen.

Werktuigelijk streek de hand van den ouden man over de vouwen van de zijden deken en bleef rusten op het gelokte hoofd van zijn zoon. Het was als wilde hij hem zegenen.

Een rilling voer Günther door de leden; het was hem als ware dit een afscheid voor eeuwig.

Onhoorbaar was zuster Magda binnengetreden. Zwijgend

Sluiten