Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen hij met prinses Sylvia, Josephine voorbijging, negeerde hij liaar natuurlijk; en toen hij zag, dat prins Detleff bij haar kocht, liep hij haastig haar tafeltje voorbij en riep haar toe: „Freule Von Wetter, zoudt gij zoo goed willen zijn voor mij een stukje kant van 50 mark te reserveeren?" Hij richtte dit echter zoo in, dat alleen de prins de bestelling hoorde en hem toeknikte; de vijandelijke partij bemerkte echter niets en hem eveneens vriendschappelijk genegen.

Baron d'Ouchy had van den beginne af aan post gevat aan de tafel van freule Von Wetter; het was de eerste maal, dat Josephine hem na zijn terugkomst zag, en onwillekeurig ontstelde ze bij zijn aanblik. Zij vond hem veranderd; hij zag er slecht en vermoeid uit, ook zijn blik was nog onrustiger dan ooit te voren.

Hij vroeg naar den toestand van den minister en scheen oprecht deel te nemen in het ongeluk van den ouden man. „Wie had dat ooit kunnen denken?" zei hij terwijl hij medelijdend het hoofd schudde. Daarna bracht hij een bouquet violen, welken hij bij Ange gekocht had, en overhandigde dien aan Josephine met een veelbeteekenenden blik.

„Komt gij dan nergens meer?" vroeg hij zacht. „Tevergeefs hoopte ik u op ieder feest te ontmoeten; ik heb u zooveel te zeggen!"

Josephine zag hem ernstig aan. „Ik verkeer tegenwoordig slechts met die menschen, die den moed bezitten, de woning van den minister binnen te treden!"

„Zoudt gij mij daar willen ontvangen? Ik verzeker u, dat ik nog geheel andere bewijzen van moed zou geven en de moeilijkste hinderpalen uit den weg zou ruimen, indien die mij den toegang tot u versperden. Men verzekerde mij echter, dat niemand ontvangen werd en mijn tocht te vergeefs zou zijn."

Josephine boog het hoofd. „Voorloopig is ons de grootste rust aanbevolen."

„Zoo even vroeg ik gravin Ange, of wij niet weder eens muziek zouden maken. Zij verontschuldigde zich echter op grond van de zware hoofdpijn, waaraan zij in den laatsten

Sluiten