Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met een kreet van verontwaardiging was Josephine opgesprongen; trotsch richtte zich hare fiere gestalte in hare

volle lengte op.

„Ge veroorlooft u tegenover mij een taal, baron d'Ouchy, die ik niet begrijp; ik verbied u voort te gaan. Welk recht hebt gij, welke aanleiding heb ik u gegeven, die u tot het waanzinnige geloof bracht, dat ik u liefheb?

Als verpletterd stond de jonge man tegenover haar; zijn gelaat was vaalbleek geworden. Josephine!" kreet hij, als iemand, wien een diepe wond geslagen wordt.

Een oogenblik heerschte er een pijnlijke stilte, daarop trad d'Ouchy wankelend eenige schreden nader. „Waarom speeldet gij zulk een wreed spel met mij ?" vroeg hij met trillende lippen.

Ontsteld zag Josephine hem aan. „Ik, een spel met u? Mijn God, ge spreekt in raadselen, ge verkeert in een pijnlijke dwaling!"

„En hebt ge dien avond in den wintertuin niet verzekerd, dat ge niet verloofd waart met Hattenheim, — dat gij trouw zoudt blijven, tot het geluk ons zijn lachend gelaat zou toonen. Was dat niet meer dan een verzekering, dat mijn liefde

beantwoord werd?''

Josephine sloeg de handen voor het gelaat. „Die vraag deedt gij voor uzelf? Mijn God, hoe kon ik zoo met blindheid geslagen zijn!"

„Voor mijzelf? Voor wien anders zou ik een vraag tot u richten, die over het levensgeluk van twee menschen besliste ?"

Een onderdrukt snikken klonk door de stem van het jonge meisje. „Ik hield u voor zijn vriend, ik had geen andere gedachte dan hem en geloofde, dat gij reeds lang het geheim van mijn hart geraden hadt!"

Als doodelijk getroffen staarde d'Ouchy haar aan; een oogenblik was het, als zocht hij naar woorden; dan barstte hij in een wild lachen uit, liet zich op een sopha vallen en verborg zijn gelaat in de fluweelen kussens: „Een ander!

Sluiten