Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rondtrekt en zoo zelfstandig beschikken kan over zulke groote sommen ?"

„Neen, dat niet; — ze heeft een ouden oom, die haar zaken beheert. Maar wacht maar tot van avond, dan zul je haar wel te zien krijgen!"

Peinzend keek Günther op. „Is Josephine nu ook bij Papa?" vroeg hij.

„Ik hoop het; maar weten doe ik het niet: ik kom immers te gelijk met je aan."

De jonge graaf bleef plotseling staan, vatte Hattenheims arm en zag hem ernstig aan.

„Reimar," sprak hij zeer aangedaan, „je hebt de toespelingen in mijn brieven steeds genegeerd en mij nooit opheldering gegeven over je verhouding tot Josephine. Nu ik haar weer ontmoeten zal, vraag ik je mij klaren wijn te schenken, opdat ik wete, hoe ik mij tegenover haar te gedragen heb. Heb je haar lief, Reimar?"

„Neen, ik bemin haar niet."

„Ik kan het niet gelooven."

„Luister naar mij." De stem van den jongen man klonk ernstig, bijna plechtig.

„Toen ik Josephine als het ongekunstelde, eenvoudige natuurkind op Grosz-Stauffen leerde kennen, scheen zij mij, die mij nooit aangetrokken voelde tot de jonge meisjes in de residentie, de verwezenlijking van het ideaal, dat ik mij steeds gemaakt had. Toen ik haar echter geheel veranderd terugvond in het huis der Lattdorfs, verdween het droombeeld, dat ik mij bij onze eerste ontmoeting voor de toekomst gedroomd had: het was niet meer de naïve, landelijkeGanzenLize — die was voor goed verdwenen — en met die verandering werd zij voor mij wat de anderen steeds voor mij geweest waren. Wel bewonderde ik haar lieftalligheid, haar schoonheid, wel bleef ik genegenheid voor haar koesteren, maar die genegenheid was die van een vriend, meer niet. Je weet, ik ben een wonderlijk mensch, je moet mij niet meten met den gewonen maatstaf, ik ga mijn eigen wegen, die ik

Sluiten