Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het voorplein verzameld om zich te voet naar de nabijliggende kerk te begeven.

Zijne Excellentie de minister wachtte reeds het bruidspaar aan het altaar.

Toen de stoet zich in beweging stelde, weerklonken plotseling snelle hoefslagen op den rijweg en twee equipages kwamen aangevlogen, die voor het slotplein stilhielden. Een jager met wuivenden vederbos en de hertogelijke cocarde op den hoed klom van den bok en opende het portier.

Franz Eginhard en Maria Christina stegen uit het eerste rijtuig; uit het tweede volgden prins Detleff, freule Von Sacken en jonkheer Von Reuenstein.

Nog steeds luidden de klokken van den dorpstoren.

Geleid door hertog Franz Eginhard en prins Detleff overschreed Josephine den drempel der kerk. Günther volgde aan de hand van Maria Christina en baronesse Von Wetter von Stauffenberg.

Bleek en roerloos als een marmeren beeld staarde de minister den stoet aan, dan ging er een rilling door zijn leden, hij strekte zijne hand naar den jongen vorst uit en trachtte zich, bevend van aandoening, te verheffen. „Mijn vorst, hier!" klonk het als een stem van zijn lippen.

Plechtig verhieven zich de zware orgeltonen tot het lied: „Loof den Heer, mijn ziel!" Franz Eginhard legde de hand der bruid in die van den jongen graaf, trad daarop snel naar de plaats, waar de minister zat en sloeg den arm 0111 de schouders van den ouden man. „Loof den Heer, mijn ziel!" fluisterde hij aangedaan, boog zich dan en drukte een kus op de zilverwitte lokken . . .

Graaf Günther Von Lehrbach keerde met zijn jonge vrouw naar München terug om daar zijn studiën te voltooien. Hij arbeidde met rusteloozen ijver en gunde zichzelf slechts een kort verlof om met Josephine de huwelijksplechtigheid van Hattenheim en Ange te gaan bijwonen. Tot spijt van het jonge paar vond deze plaats in de residentie, daar de hof-

Sluiten