Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hij is eergisteren al teruggekeerd."

„Laat ons dan eerst naar het Triclinium gaan, waar een goed maal ons wacht; daarna zullen we ons naar Plautius

laten dragen." ..

„Ge zijt altijd een goede oom voor mij geweest, antwoordde Markus Vinicius met vroolijke opgewondenheid, en terwijl hij zich wendde tot een standbeeld, dat Petronius als Hermes met den tooverstaf voorstelde, riep hij uit:

„Bij de stralen van Helios,*) als de godgelijke Alexander op"u geleek, dan verwonder ik me niet meer over Helena."

In deze verzekering lag evenveel oprechtheid als vleierij, want Petronius was wel is waar ouder en niet zoo sterk gebouwd, maar toch schooner nog dan Markus Vinicius. De vrouwen van Rome bewonderden niet alleen zijne geestigheid en zijn fijnen smaak, die hem den titel van „arbiter elegantiarum" hadden doen verwerven, maar bovenal ook zijn mooi gevormd lichaam. Deze bewondering was zelfs ook te lezen op de gezichten der Grieksche meisjes, die de vouwen van zijne toga schikten; een hunner, Euniche geheeten, die hem heimelijk liefhad, keek hem onderdanig, maar verrukt in de oogen. Hii echter merkte er niets van en citeerde zelfs lachend eenige aanhalingen uit Seneca3) over de vrouwen, terwijl hij zijn arm op den schouder van zijn neef legde en met hem in het Triclinium ging.

Intusschen ruimden de slavinnen het Unctuarium op en verdwenen achter den voorhang; alleen Euniche bleef achter en toen zij zich alleen wist, nam zij behoedzaam den met ivoor ingelegden stoel, waarop Petronius nog kort te voren had gezeten, en zette dezen voor zijn standbeeld neer. Zij klom op den stoel en sloeg toen plotseling hare armen om den hals van het beeld, klemde haar rosig lichaam tegen het verblindend witte marmer en drukte hare lippen hartstochtelijk op den kouden mond.

*) Zonnegod. -) Stoïcijnsch wijsgeer.

Sluiten