Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zijden van het Forum bewoog zich het volk; met groepjes verdrong hel zich in de basiliek van Julius Cajsar en ook de Vestatempel wemelde van menschen. De spreekgestoelten waren van toehoorders omringd, hier en daar boden schreeuwende kooplieden vruchten, wijn en water met vijgensap aan; tandentrekkers, goochelaars en waarzeggers oefenden hun bedrijf uit. Somtijds klonken de tonen van verschillende muziekinstrumenten door het oorverdoovend leven heen; zieke, bedroefde en vrome lieden werkten zich door het gedrang heen om hunne offergaven op het altaar van den tempel neer te li ggen. Midden tusschen de menigte in verzamelden zich vluchten duiven op de straatsteenen, begeerig de korrels oppikkend, die men hun toewierp. Van tijd tot tijd opende zich de opeengepakte menigte om draagstoelen door te laten, waarin opgesmukte vrouwenkopjes of de hoofden van senatoren met levensmoede trekken zichtbaar waren. De menigte riep luid hunne namen uit, nu eens met een woord van lof, dan weer met een spotternij gepaard gaande. En tusschen de groepjes door marcheerden wachtsoldaten heen en weer met afgemeten tred, om de orde te handhaven. Men hoorde er evenveel Grieksch als Latijn spreken.

Markus Vinicius, die langen tijd uit Rome weg geweest was, beschouwde met eene zekere nieuwsgierigheid de volksmenigte en het Forum Romanum, zoodat Petronius, de gedachten van zijn metgezel radend, het schouwspel een Quiritennest — zonder Quiritcri*) noemde. Inderdaad was het Romeinsche element slechts zwak vertegenwoordigd. Er waren Ethiopiërs, krachtige, blondharige gestalten uit het hooge Noorden, Brit*ten, Galliërs, Germanen, bewoners van den Eufraat, van den Tigris en den Indus, Syriërs van de oevers der Orontes, woestijnbewoners uit Arabië, magere Joden, Egyptenaren met hun eeuwig onverschillig lachen, Numidiërs en Afrikaners, Grieken uil Hellas, die met de Romeinen de heerschappij over Rome deelden, maar die door kunst en wetenschap, door wijsheid en bedrog hen de baas waren; Grieken van de eilanden, uit Klein-Azië en uit de Grieksche koloniën in Egypt*' en Italië.

Naast de slaven met hunne doorboorde ooren, ontbraken noch de vrijgelatenen — een lui volk, wiens vermaken, voeding en kleeding de keizer moest bekostigen — noch ook de vrije vreemdelingen, die het vooruitzicht op genot en rijk

>) De naam der Romeinen als burgers.

Sluiten