Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sikaa, die zij in ééne ademhaling en als een van Buiten geleerd lesje uitstiet:

„Vreemdeling, gij schijnt geen booze man mij, noch dwaas." Toen keerde zij zich om en liep weg als een verschrikt vogeltje.

Nu was 't Petronius' beurt om verbaasd te zijn; hij had niet verwacht van de lippen van een meisje, wier barbaarsche afstamming hij door Vinicius' verhaal kende, verzen van Homerus te vernemen. Daarom wierp hij een vragenden blik op Pomponia; maar deze kon hem niet antwoorden, daar zij juist glimlachend het van trots stralend gezicht van haar man beschouwde.

Plautius kon zijn trots niet verbergen. Ten eerste had hij Lygia lféf als zijne eigene dochter en ten tweede hield hij de Grieksche taal, ondanks zijne oud-romeinsche vooroordeelen. voor het toppunt van fijne beschaving. Hij zelf had haar nooil goed kunnen leeren en dat kwelde hem heimelijk. 'tWas hem daarom tot groote vreugde, dat deze hoogbeschaafde man met de woorden van Homerus beantwoord werd, in een huis, dat deze bijna voor barbaarsch hield.

„Wij hebber, een Griekschen onderwijzer in huis, die den knaap onderwijs geeft, waarbij het meisje toeluistert," zei hij. „Zij is nog wel een jonge kwikstaart, maar een lieftallig schepseltje, dat ons beiden vast aan het hart gegroeid is."

Petronius keek in den tuin naar het drietal, dat daar speelde. Vinicius had zijne toga afgelegd en stond daar in zijne tunika. Hij sloeg den bal, terwijl Lygia met opgeheven armen tegenover hem stond om den bal op te vangen.

Het meisje had aanvankelijk weinig indruk op Petronius gemaakt, zij scheen hem al te slank toe. Maar van het oogenblik, dat hij haar in het priëel nauwkeuriger had gadegeslagen, dacht hij, dat Aurora er misschien zoo uit zou zien en was als kenner overtuigd, dat er iets buitengewoons in hare verschijning lag.

Aan zijne oogen ontging noch haar frisch, rose gezicht, noch de frissche als tot kussen geopende lippen, noch de overvloed van donker haar, de slanke hals, de prachtige, ronde schouders, de geheele elastische, slanke figuur, liefelijk als de lente zelf. De kunstkenner in hem voelde dat men onder het beeld van deze schoonheid „Lente" kon schrijven. Onwillekeurig dacht hij aan Chrysothemis en hij moest hardop lachen. Chrysothemis met haar goudgepoederd haar en haar geverfde wenkii, au wen leek hem een verwelkte rozenstruik toe, waarvan de bladeren afvallen. En Rome bengdde hem

Sluiten