Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om deze Chrysothemis. Daarna riep hij zich Poppea voor den geest en ook deze beroemde vrouw geleek hem een zielloos wassenbeeld. In dit meisje zag men niet alleen de lente, maar ook eene stralende ziel, die het rose lichaam als eene vlam verlichtte.

„Vinicius heeft gelijk," dacht hij, „mijne Chrysothemis is oud, oud als Troje." Zich tot Pomponia Grascina wendend, wees hij op den tuin en zei:

„Nu begrijp ik, Domina, waarom gij met deze twee in huis geen <yrcus of feesten op het Palatium bezoekt."

„Ja," antwoordde zij, den blik op Lygia en Aulus richtend.

De oude veldheer begon nu de geschiedenis van het meisje te vertellen, en alles wat hij jaren geleden door Atelius Hister over het in 't hooge Noorden wonende volk der Lygiërs gehoord had.

Het klaverblad had opgehouden te spelen en wandelde den tuin op en neer, Lygia hield den knaap bij de hand. Na korten tijd zetten zij zich op eene bank in de nabijheid van den vijver neer Aulus liep spoedig weg om de visschen te plagen, die in het heldere water zichtbaar waren, terwijl Vinicius het gesprek voortzette.

„Ja," zei hij met zacht bevende, nauwelijks hoorbare stem, „ik had nauwelijks de toga der knapen afgelegd, toen ik bij ie legioenen in Azië werd ingedeeld. Ik kende Rome toen nog niet en was onervaren in het leven en in de liefde. Enkele stukken van Anacreon en Horatius ken ik wel van buiten, maar ik kan niet, als Petronius, verzen citeercn, als 't hart stom is van bewondering en geen woord meer vinden kan. Als knaap kreeg ik onderricht van Musonius; hij leerde, dat het geluk daarin bestond, den wil der goden te doen en het daardoor in onze macht lag gelukkig te zijn. Doch 't bestaat, geloof ik, in iets anders, dat grooter en kostbaarder is en niet van den wil afhangt, daar slechts de liefde 't ons geven kan. De goden zelf zoeken dit geluk; daarom treed ook ik, o, Lygia, die de liefde tot nu toe niet kende, in hare voetstappen. Ook ik zoek haar, die mij dit geluk kan geven."

Hij zweeg, en langen tijd hoorde men niets dan het plassen 'van het water, waar de kleine Aulus kiezelsteentjes in wierp om de visschen te plagen. Na een poosje echter ging Vinicius op nog zachter toon voort:

„Gij kent toch Titus, den zoon van Vespasianus? Men vertelt van hem, dat hij, nauwelijks den kinderschoenen ontwassen,

Sluiten