Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen, leef wel, Lygia, en vergeet nooit, dat Pompónia en ik den dag zegenen, waarop gij ons huis hebt betreden."

Bij dez3 woorden legde hij zijn hand op haar hoofd. Trots zijne moeite, kalm te schijnen, klonk diepe smart in zijn woorden, toen Lygia de betraande oogen naar hem ophief, zijne hand greep en aan hare lippen drukte.

„Leef wel, onze vreugde, licht onzer oogen 1" sprak hij.

Ijlings begaf hij zich naar het Atrium, om niet door eene aandoeni.ig, een Romein en veldheer onwaardig, overmand te worden.

Intussc hen voerde Pomponia het meisje in haar slaapvertrek, waar zij haar begon te troosten en moed in te spreken, terwijl zij woorden sprak, die zonderling klonken in dit huis, waar Aulus Plautius nog naar oude zeden den huisgoden offers bracht. Nu was het uur der verzoeking gekomen. Eens had Virginius het hart van zijne eigene dochter doorboord, om haar voor Appius Claudius te redden; en vóór hem delgde Lucretia reeds hare schande met haar leven uit. Het keizerlijk paleis was een hol van schande, laster en misdaad.

„Wij echter, mijne Lygia, weten, dat we de hand niet aan ons zelf mogen slaan. Ja, het gebod, waaraan wij beiden gehoorzamen, is een ander, een heiliger gebod; maar het staat ons toe ons tegen schande en smaad te verweren, al zijn ook foltering en dood de gevolgen er van. Wie rein uit liet huis des verderfs treedt, heeft des te grooter verdienste. De aarde is een jammerdal; wel ons, dat ons leven slechts een oogenblik duurt. De weg tot opstanding gaat door het graf, en aan gindsche zijde daarvan heerscht niet Nero, maar de barmhartigheid, waar pijn in vreugde en tranen in geluk veranderd worden."

Daarna begon zij over zichzelf te spreken, hoezeer ook zij gewond was van binnen. Aulus zelf was eene bron harer tranen. Het licht der waarheid was nog niet tot hem doorgedrongen. Haar zoon mocht zij ook niet daarin opvoeden. Bij de gedachte, dat 't tot haar einde toe zoo zou kunnen blijven en er dan eene scheiding zou kunnen komen, duizendmaal erger dan nu, de tijdelijke, wist zij niet, hoe de hemel eene plaats des geluks voor haar zou kunnen zijn. Menigen nacht had zij wakend en weenend doorgebracht, sineekend om genade en barmhartigheid. Toch bleef zij gelooven en vertrouwen Ook nu versaagde zij niet, nu een nieuwe slag haar trof, waar een bevel van den tvran een dierbaar kind van haar losscheurde; zij versaagde niet, omdat haar

Sluiten