Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„maar nu geloof ik, dat niet zij de wereld beheerschen, maar een afschuwelijk, monster, Nero geheeten."

„Aulus," antwoordde Pomponia, „Nero is maar een handvol stof voer God."

Aulus begon met groote stappen de kamer op en neer te loopen. Zijn leven was rijk geweest aan groote daden, doch nooit nog ha-d het noodlot hem getroffen. Daarom was hij er niet op voorbereid. De veteraan had Lygia nog liever, dan hij zelf wist en hij kon zich niet met de gedachte ver zoenen haar te hebben verloren. Er rustte eene hand op hem, die hij verafschuwde en toch voelde hij, dat zij machtiger was dan hij. Toen het hem gelukt was de woede te onderdrukken, die in zijne binnenste woelde, sprak hij:

„Ik neem aan, dat Petronius ons haar niet voor den keizer ontnomen heeft, daar hij Poppea niet mag beleedigen. Bij gevolg nam hij haar voor zich of voor Markus Vinicius. Dat wil ik nog heden weten."

Spoedig daarna liet hij zich naar het Palatium dragen. Pomponia ging, toen zij zich alleen bevond, naar den kleinen Aulus, die niet ophield om zijne zuster te roepen en bedrei gingen tegen den keizer uit te stooten.

HOOFDSTUK V.

Had Aulus reeds gevreesd niet bij den keizer te worden toegelaten, zoo had hij zich hierin niet vergist. Men zeide hem, dat Nero bezig was met zingen bij den luitspeler Terpnos en gewoon wai niemand te ontvangen, dien hij niet zelf ontboden had. Met andere woorden, Aulus behoefde niet te ho pen, ooit toegelaten te worden. Seneca, hoewel ziek van koorts ontving den vroegeren veldheer met verschuldigden eerbied, maar toen deze hem zijn verzoek had voorgedragen, lachte

hij bitter en zei: „ .

„Ik kan u slechts een dienst bewijzen, o, Plautius, en die is: nooit mijn medegevoel voor u te laten merken, want kon Nero dat ook maar in de minste mate vermoeden, dan zou 't al genoeg voor hem zijn om mij te plagen, door Lygia niet

terug te geven." .

Seneca ried hem ook af zich tot Tigelhnus, Vatimus of

Sluiten