Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

v olgden de schotels met Begerige blikken. En de rijen werden voltallig gemaakt door beroemde wagenmenners, goochelaars, wonderdoeners, sprookjesvertellers, narren en allerlei avonturiers, die door de mode of door hunne dolheid tot alechts kort durende beroemdheid gekomen waren. Onder hen ontbraken zelfs menschen niet, die door lange haren hunne doorboorde ooren, het teeken der slavernij, trachtten te verbergen.

De voornaamste gasten zaten aan de tafel, terwijl de mindere voor het vermaak zorgden en het oogenblik afwachtten waarop de bedienden hun zouden toestaan zich aan de resten e goed te doen. Voor deze soort van gasten zorgden Tigeiiinus, atinius en Vitellius, want Nero hield van zulk gezelschap omdat hij zich daar vrij in voelde. De glans van het hof verguldde alles, bedekte alles met zijn geschitter, hoog en laag, afstammelingen uit aanzienlijke geslachten, en lieden, wier tenuis de straten van Rome waren, groote kunstenaars en armzalige talenten verdrongen zich in het paleis, om zich in hunne verblindheid te goed te doen aan den ongekenden g ans en in de onmiddellijke nabijheid te zijn van den schenker van gunster en rijkdommen, wiens blik niet alleen diep vernederen, maar ook hoog verheffen kon.

Ditmaal moest, ook Lygia aan zulk een gelag deelnemen, rees, onzekerheid en een gevoel van bedwelming, dat na zulk eene plotselinge verandering licht verklaarbaar was. streden in haar met den wensch zich te verzetten. Zij vreesde i ero, het paleis, waarvan het rumoer hare zinnen verwarde, de feestmalen welker schaamteloosheid zij kende uit de gesprekken van Aulus, Pomponia en hunne vrienden. Ofschoon nog jong, wist zij reeds veel, want in die dagen bereikte de kennis van het booze reeds vroeg zelfs de ooren der kinderen. Zijwist daarom dat haar in het paleis verderf dreigde. Pomponia had haar daarvoor bij 't vertrek gewaarschuwd. Haar jeugdig en onschuldig gemoed en haar, door hare pleegmoeder iii^ep ant geloof, hadden haar doen beloven, zich voor dat verderf te bewaren; zij had het hare moeder beloofd, zich zelf en • ook dien goddelijken leermeester, aan wien zij niet slechts geloofde, maar die haar kinderlijk hart door de zachtheid zijner leer, de bitterheid van zijn dood, de heerlijkheid zijner opstanding, ook geleerd had lief te hebben.

Bij de gedachte, dat noch Aulus noch Pomponia nu meer verantwoordelijk waren voor het gedrag hunner pleegdochter, overlegde zij of 't niet beter was gehoorzaamheid te wei-

Sluiten