Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene plotselinge beweging de armen op, trok de naald uit hare haren en in een oogenblik was zij als met een mantel van prachtig golvende lokken omhuld.

Actea naderde haar en zeide, terwijl zij de zwarte lokken aanraakte:

„O, welk schoon haar hebt ge! Ik zal er geen goudpoeder op strooien, 't glanst van zelf reeds als goud. Slechts hier en daar zal ik wat poeder strooien, maar slechts weinig, alsof er een zonnestraal op scheen. Uw Lvgisch vaderland moet wondervol zijn, als er zulke meisjes geboren worden."

„Ik kan mij er niets van herinneren," zei Lygia, ..maar iJrsus zegt. bij ons zijn er slechts bosschen en bosschen en nog eens bosschen."

„Maar bloemen bloeien er toch in die bosschen," zei Actea, hare hand in eene met verbena-olie gevulde vaas doopend en daarmee Lygia's haar bevochtigend. Toen zij daarmee klaar was, zalfde zij het lichaam van het meisje licht met wel riekende olie uit Arabië en kleedde het toen in eene dunne met goud omboorde tunika zonder mouwen, waarover nog een sneeuwwit overkleed moest komen. Maar eerst moest het haai gekapt worden en terwijl zij zich in een armstoel neerliet, gaf zij hei. meisje aan eene slavin over, om op eenigen afstand naar het kappen te zien. Twee andere slavinnen deden witte, met paais bestikte sandalen aan Lygia's voeten en bevestigden die met gouden, kruisgewijze geslingerde banden. Toen einde Ijjk het haar klaar was, wierpen zij een overkleed in schoone, lichte plooien over het meisje heen; Actea versierde haar hals met paarlen. bestrooide heur haar hier en daar met goud poeder en liet zich toen zelf door de slavinnen kleeden, terwijl zij intusschen met verrukte oogen naar Lygia keek.

Zij was spoedig gereed en toen de eerste draagstoelen voor de hofpoort stilhielden, betraden zij beiden de zijgaanderij, van waar dc hoofdingang, de binnengalerijen en binnenplaats, ingesloten door eene zuilenrij van Numidisch marmer, zichtbaar waren.

Lygia's blikken hingen verbaasd aan al deze pracht, waarvan zij in de bescheiden woning van Aulus geen vermoeden had gehad. Juist ging de zon onder, terwijl zij hare laatste stralen op het gele Numidische marmer der znilen wierp, die daardoor half goud, half rozenrood schenen. Tusschen de zuilen door, naast de witte beelden der Danaïden, deigoden en helden, stroomden in bonte scharen, de mannen an vrouwen aan, die er zelf als beelden uitzagen, want zij

Sluiten