Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aulus, waar niet slechtheid, maar liefde heerschappij voerde.

Nieuw-* 'isten stroomden inmiddels toe. Van de andere zijde aei röort vernam men het roeperi der dienaren, die hunne meesters vergezelden. Op de plaats en in de galerijen was 't vol van slaven en slavinnen, van kleine knapen en pretorianen, die de wacht moesten houden. Hier en daar verscheen tusschen de donkerbruine gezichten, het zwarte gelaat van eert Numidiër, met een vederbos op zijn helm en met gouden ringen in de ooren. Eenigen droegen luiten en citers, kandelaars van goud, zilver of brons en ruikers van kunstmatig gekweekte bloemen. Steeds luider vermengde zich het rumoer van het praten met het klateren der fontein, wier water op het marmer neerviel en uiteenspatte.

Actea had opgehouden met vertellen; Lygia staarde op het gewoel alsof zij iemand zocht. Plotseling vloog een donkerroode blos over hare wangen, want uit de zuilenrij traden Petronius en Markus Vinicius te voorschijn. Zij begaven zich naar de groote eetzaal, rustig, schoon in hunne toga's, goden gelijk. 'tWas Lygia of haar bij 't zien van die bevriende gezichten, vooral van dat van Vinicius, een zware last van de schouders viel. Zij voelde zich minder eenzaam. Het groote verlangen naar Pomponia verdween, 't Verlangen Vinicius te spreken verstikte elk ander gevoel. Te vergeefs riep zij zich nogmaals al het slechte in het geheugen terug, dat zij over Nero's paleis gehoord had, de woorden van Actea, de waarschuwingen van Pomponia; trots al deze woorden en waarschuwingen voelde zij plotseling, dat zij niet slechts aan dit gastmaal deelnemen moest, maar 't ook zelf wenschte. Een gevoel van zaligheid doortrilde haar bij de gedachte, nu spoedig de dierbare stem te hooren, die haar van liefde en van een den goden waardig geluk gesproken had en dat nog altijd als een schoon lied in hare ooren weerklonk. Maar in 't volgende oogenblik verschrikte haar dit geluk. Zij geloofde ontrouw geworden te zijn aan de reine leer, waarin Pomponia haar had opgevoed, 'tls geheel iets anders uit dwang deel te nemen of uit vreugde. Zij kwam zichzelf zondig, onwaardig en als verworpen voor. Moedeloosheid overviel haar en ware zij alleen geweest, dan zou zij op de knieën gevallen zijn en zich de hors! geslagen hebben, met de woorden : „Mea Culpa! Mea Culpa!"1) Maar Actea nam haar bij de hand en voerde haar door binnenvertrekken naar de groote eetzaal, waar het

J) Ik ben schuldig.

Sluiten