Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feestmaal zou plaats vinden. Lygia's hart klopte tot berstens toe. Als in een droom zag zij duizenden lampen aan de muren en op de tafels branden, als in een droom hoorde zij de uitroepen, waarmee de gasten den keizer begroetten; als door een nevel zag zij hem zelf — Nero. Het rumoer verdoofde haar, de glans verblindde en de welriekende geuren bedwelmden haar. Zij verloor de rest van haar denkvermogen en was nauwelijks meer in staat Actea te herkennen, die haar aan tafel deed neerzitten en zich naast haar nederliet.

Na een poosje hoorde zij aan hare andere zijde eene zachte, welbekende stem zeggen:

,,Wees gegroet, schoonste onder de schoonen. Wees gegroet, goddelijke Lygia."

Lygia. die zich eenigszins hersteld had, keek op; naast haar zat Vinicius.

Hij was zonder toga; de zeden en ook het gemak eischten bet afleggen der toga's bij feestgelagen. Zijn lichaam was enkel gehuld in eene scharlakenroode, met zilveren palmen bestikte tunika zonder mouwen. De ontbloote armen waren naar Oostersche wijze met twee breede, boven den elleboog bevestigde, gouden banden versierd en bovendien zorgvuldig van haar ontdaan. Zij schenen zacht, maar toch gespierd — ware soldatenarmen, die goed bij zwaard en schild pasten. Een krans van rozen bedekte zijn hoofd.

Met zijne tot boven zijn neus ineengogroeide wenkbrauwen, met zijne schitterende oogen en zijne donkere gelaatskleur, was hij om zoo te zeggen de belichaming van jeugd en kracht. Hij scheen Lygia zoo schoon toe, dat zij, niettegenstaande de eerste verdooving voorbij was, nauwelijks in staat was te antwoorden.

„Wees gegroet, Vinicius!"

„Gelukkig zijn mijne oogen," zei hij, „dat zij u zien; gelukkig mijne ooren, dat'zij uwe stem vernemen, die mij dierbaarder is, dan de klank van luiten en citers. Moest ik kiezen, wie hier bij dit gastmaal aan mijne zijde zou rusten, gij of Venus, zoo koos ik u, goddelijke Lygia!"

Hij keek haar aan, als kon hij zich niet aan haar aanblik verzadigen, als wilde hij haar met zijne blikken verslinden. Zijn blik ging van haar gezicht naar haar hals en armen, bewonderde, omvatte haar, maar naast het vurig verlangen sprak er ook geluk en groote verrukking uit.

„Ik wist, dat ik u hier zou treffen," ging hij voort, „maar toen ik u zag ondervond mijne ziel zulk eene zaligheid, of

Sluiten