Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vele dingen hare opmerkzaamheid trokken en zijn gesprek met haar hadden afgebroken, zeide:

„Ja, zij is schoon, maar duizendmaal schooner zijt gij. Ge kent uzelf niet, anders zoudt ge op uzelf verliefd zijn, zooals Narcissus1) was. Kijk niet naar haar, kijk mij aan. Beroer dezen wijnbeker met uwe lippen, dan wil ik op dezelfde plaats drinken."

Hij schoof steeds dichterbij, zoodat Lygia meer naar Actea toe ging. Maav nu trad eene plotselinge stilte in — Nero was opgestaan De zanger Diodorus had hem eene luit aangereikt; een tweede zanger Terpnos, die den keizer spelend moest begeleiden, kwam met een nablium, — eene soort van harp, naderbij. De luit op de tafel steunend, hief Nero de oogen op; een poosje heerschte er diep stilzwijgen, slechts onderbroken door het ruisclien van de neervallende rozen.

Toen begon hij zijne hymne aan Venus te zingen of liever gezegd, te declameeren, onder begeleiding der beide luiten. Noch zijne stem, noch de verzen waren slecht, zoodat Lygia's geweten weer begon te knagen, want de hymne, ofschoon zij de heidensche, onkuische Venus verheerlijkte, kwam haar meer dan schoon en de keizer, met omhooggeheven en met klimop omkrans, hoofd, veel minder vreeselijk en afstootend voor, dan in 't begin van het feest. Donderende bijval was zijn dank. Uitroepen als: „0, hemelsche stem," weerklonken rondom; eeni?e vrouwen hieven de armen op en hielden ze ten teeken van verrukking in de hoogte, toen het gezang reeds geëindigd was; anderen vvischten zich de tranen uit de oogen. Poppea boog haar goudlokkig hoofd, drukte Nero's hand aan hare lippen en hield haar lang zwijgend vast. Pythagoras, een jonge Griek van wonderbare schoonheid, knielde aan zijne voeten neer.

Maar Nerj keek in gespannen verwachting Petronius aan, naar wiens lof hij bovenal verlangde en die nu sprak:

„Wat de muziek betreft, clan moet Orpheus op 't oogenblik wel van nijd zoo geel zijn als Lucanus. En met betrekking tot de verzen, betreur ik 't, dat zij niet slechter zijn; waren zij 't, dan kon ik hun lof misschien met woorden zeggen."

't Noemen van zijn naam nam Lucanus hem niet kwalijk, hij was Petronius eerder dankbaar en begon te mompelen, terwijl hij deed of hij boos was:

') Een jongeling, die verliefd was op zijn eigen spiegelbeeld.

Sluiten