Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was als kenner verrukt van Pythagoras' schoonheid en be gon vurig zijne handen te kussen.

«Zulke mooie handen heb ik nog eens gezien, aan wien behoorden zij ?

Hij wree. zich nadenkend met de hand over 't voorhoofd en trachtte 't zich te herinneren.

Na een poosje verbleekte hij zichtbaar. O! zij behoorden aan zijne moeder, Agrippina! Een somber beeld kwam hem voor den geest.

„Men zegt, sprak hij, „dat zij bij maneschijn ronddwaalt, op zee tusschen Bajae en Bauli. Zij dwaalt en dwaalt maar rond alsof zij iets zoekt. Komt zij in de nabijheid van een ^ ïp, dan kijkt zij er naar en gaat voorbij; de visscher echter op wien haar oog gerust heeft, sterft."

Geen slecht thema," zei Petronius.

A estinus rekte den hals als een ooievaar uit en fluisterde geheimzinnig:

„Ik geloo! niet aan goden, maar aan geesten!"

JNero luisterde niet naar hem, maar ging voort:

„Ik heb 't feest Lemuriai) gevierd, ik wil haar niet zier, Vijf jaren zijn er sedert voorbijgegaan; ik moest haar verooraeelen, want zij zond moordenaars op mij af; ware ik haar niet voor geweest, dan zoudt gij mij heden niet hebben hooren zingen.

„Wij danken den keizer in Rome's naam!" riep Domitius Afer uit. r

„Breng wijn! Muziek!"

Het lawaai begon opnieuw. Lucanus, geheel in klimop begraven, wilde hem overschreeuwen, hij verhief zich en brulde: „Ik ben geen mensch, maar een faun en ik woon in de bosschen. E—o —o—o—o!"

De keizer bedronk zich meer en meer, mannen waren dronken vrouwen waren dronken. Markus Vinicius was 't niet minder dan de anderen en er ontwaakte een strijdlust in , m' J.00a's Alleens wanneer hij zijne maat had Gverschrei kv, i g°kruind gelaat werd bleeker en zijne tong sloeg dubbel, toen hij op zachten, maar bevelenden toon tot Lygia ze::

„De keizer nam je van Aulus weg om je aan mij te gevenmorgen zal ik om je zenden, verstaat ge? Maar 'ik wil niet tot morgen wachten, kus mij, vlug wat."

') Feest ter eere van afgestorvenen,

Sluiten