Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijls met de gedachte, dat zij, eene Christin, niets kon doen voor dien Gekruisigde, van wien Ursus met zoo groote ieederheid sprak. Maar nu was het oogenblik hiertoe gekomen. Lygia voelde zich bijna gelukkig en begon van haar geluk tot Actea te spreken, die haar echter niet kon begrijpen. xYlles te verlaten: een huis, rijkdom, de stad, de tuinen, de tem pels, alles wat. schoon was; een zonnig land en een groot volk te verlaten — en tot welk doel? Om zich te verbergen voor de liefde van een jongen en statigen ridder. Actea kon dit niet begrijpen. Toch gevoelde zij ook, dat Lygia's handelwijze goed was en dat er in het meisje een oneindig en geheimzinnig gevoel van geluk moest wonen; maar zij kon er zich niet duidelijk rekenschap van geven, te meer niet daar Lygia een waagstuk ging ondernemen, waarbij zij misschien het leven zou laten.

Actea, vreesachtig van natuur, dacht er met schrik aan, wat de komende avond zou kunnen brengen. Maar zij wilde Lygia haa.' angst niet meedeelen. En toen het intusschen dag was geworden en de zon in het Atrium scheen, begon zij Lygia te overreden, zich na den slapeloozen nacht de noodige rust te gunnen. Lygia weigerde dit niet en beiden begaven zich naai het Cubiculum,*) dat tengevolge van Actea's vroegere betrekkingen tot Nero zeer ruim en van alle weelde voorzien was. Hier legden zij zich naast elkander neer, maar Actea kon in weerwil van hare vermoeidheid niet slapen.

Sedert langen tijd was zij treurig en ongelukkig en werd daarbij nog door eene zekere onrust gekweld, die zij nooit te voren gekend had.

Haie verwarring nam toe. Weer begon de deur tot het licht zich te openen en te sluiten. Maar in het oogenblik, dat zij open ging, werd zij door het licht zoo verblind, dat zij niet duidelijk zien kon.

Zij vermoedde slechts, dat daar een soort van geluk verborgen lag, een geluk waarbij al het andere nietig scheen, zoodat, als Nero Poppea verstooten en haar, Actea, weer beminnen zou, zelfs dit maar een nietig geluk zou zijn. Plotseling viel haar de gedachte in, dat de keizer, dien zij beminde, dien zij onwillekeurig voor een soort halfgod hield, zoo beklagenswaardig was als de eerste, de beste slaaf, en dat dit paleis met zuilen van Numidisch marmer niets meei dan een steenhoop was. Ten laatste begonnen weer allerlei

') Slaapvertrek.

Sluiten