Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„de Keizer beloofde mij als slavin aan Vinicius te geven; maar, o, wees gij mijn voorspraak en laat mij naar Pomponia terugbrengen."

,,L)us Petronius overreedde den Keizer, ii van Aulus weg te nemen en aan Vinicius te geven?"

„Zoo is 't, gebiedster, Vinicius zal hedenavond om mij zenden; maar gij zijt goed, heb medelijden met mij!"

J oen zij di! gezegd had, knielde zij neer en terwijl zij den zoom van Poppea's gewaad vatte, wachtte zij met kloppend liart op haar antwoord.

Poppea zag haar een oogenblik aan; een boosaardig lachje kwam op haar gezicht toen zij antwoordde:

„Ik beloof u, dat ge heden nog Vinicius' slavin zult worden." F'n z'j ging heen, schoon en wreedaardig.

Lygia hoorde nog slechts het klagende stemmetje van het kindje, dat. nu begon te schreien. Hare oogen waren met tranen gevuld: maar na een poosje nam zij Actea's hand en zei:

„Laten wij terugkeeren. Hulp is slechts te verwachten, van waar zij in waarheid komen kan."

Zij keerden naar het Atrium terug, dat zij dien avond niet moer verlieten, en toen 't donker werd en de slaven groote fakkels binnenbrachten, zagen zij beiden.zeer bleek, llun gesprek stokte elk oogenblik. Beiden luisterden om te hooren of er niemand kwam. Lygia herhaalde altijd weer, dat, ofschoon t haar leed deed, Actea te moeten verlaten, zij toch liever wilde, dat alles dien zelfden dag nog zou gebeuren, omdat l rsus in 't donker op haar wachten zou.

Haar adem ging sneller. Actea verzamelde haastig zoo^eel kleinoodiën als mogelijk was en terwijl zij ze aan een hoekje van Lygia's overkleed vastmaakte, smeekte zij haar ze niet te versmaden. Daarna ontstond eene diepe stilte en nu eens was 't hun als hoorden zij een zacht gefluister achter het gordijn, dan weer of zij 't schreien van een kind of 't blaffen var een hond hoorden. Plotseling bewoog zich het gordijn voor den ingang en een groote, sombere man, het ge zicht van de pokken geschonden, verscheen als een geest in iet Atrium. Dadelijk herkende Lygia in hein Atacinus, een Mijgelatene van Vinicius, die ook al in Aulus' huis geweest was.

Actea gild° luidkeels, maar Atacinus boog en zeide:

„Een groet, goddelijke Lygia, van Markus Vinicius, die u wacht op een feest in zijne mooi versierde woning."

Sluiten