Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te berge van woede, doch het gold nu niet meer Lygia, maar Petronius — die was van alles de schuld. Zonder diens ingrijpen had Lygia niet behoeven te vluchten, dan was zij nu inet hem getrouwd en zouden geen gevaren haar geliefd hoofd bedreigen. Maar nu was alles voorbij, te laat!

Een afgrond gaapte voor zijne voeten. Hij wist niet wat aan te vangen, waarheen zich te begeven.

Actea herhaalde als eene echo: „te laat!" dat hem in de uoren klonk als een doodvonnis. Slechts één ding was hij zich bewust: Lygia moest gevonden worden, anders gebeurde er een ongeluk.

Werktuiglijk hulde hij zich in zijne toga en juist wilde hij zonder iets te zeggen heengaan, toen het gordijn opzij geschoven werd en Pomponia Graecina binnentrad.

Blijkbaar had ook zij van Lygia's verdwijnen gehoord en kwam zij naar Actea om iets naders te weten, in de meening, dat zij haar eerder te spreken zou kunnen krijgen dan Aulus.

Toen zij Vinicius zag, keerde zij haar bleek, zacht gezicht naar hem toe en zei, na eene pauze: „God vergeve u het kwaad, Vinicius, dat gij ons en Lygia hebt aangedaan."

Beschaamd en schuldbewust stond hij daar, niet wetend, welke god hem zou kunnen vergeven. Pomponia had eer reden om van wraak, dan van vergeving te spreken. Radeloos en overstelpt door zorg en verdriet verwijderde hij zich.

Buiten stonden overal groepjes angstige menschen — ridders en senatoren midden tusschen paleisslaven — die allen vroegen naar de gezondheid der kleine Augusta en te gelijk zich beijverden om hunne aanwezigheid en angstige bezorgdheid, zij 't dan ook slechts aan de slaven, kenbaar te maken.

Het bericht van de ziekte van het „goddelijke" kind had zich blijkbaar snel verbreid, want steeds naderden weer nieuwe personen en eene groote menigte omringde de hoofdpoort. Eenigc nieuw aangekomenen overvielen Vinicius met vragen, toen zij hem uit het paleis zagen komen. Maar hij snelde hen voorbij zonder antwoord te geven, tot hij bijna tegen Petronius aanliep, die eveneens berichten kwam inwinnen.

Hij was te ellendig en uitgeput om dadelijk zijne woede op hem te koelen; daarom stiet hij hem alleen maar op zij en wilde verder snellen, maar Petronius hield hem bijna met geweld terug.

Sluiten