Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn gebleven; hij, Vinicius, had haar iederen dag kunnen zien en zou nu gelukkiger geweest zijn dan de Keizer zelf. Hoe langer hij sprak, hoe opgewondener hij werd, tot eindelijk tranen van toorn en wanhoop over zijne wangen liepen.

Petronius, die nooit gedacht had, dat zijn neef zoo zou kunnen beminnen, sprak bij 't zien van die tranen verwonderd tot zichzelf:

„O, machtig? heerscheres van Cyprus, gij alleen heerscht >ver goden en menschen!"

HOOFDSTUK XII.

Toen hel tweetal voor Petronius' woning uitsteeg, berichtte de Atriensis,*) dat geen enkele der slaven, die de poorten bewaakten, nog was teruggekeerd. Hij had hen voedsel en het hernieuwd bevel gebracht op straffe van geeseling, ieder die de stad verliet, zorgvuldig gade te slaan.

„Ge ziet," zei Petronius, „zij zijn ongetwijfeld nog in de stad. In dit geval zullen zij te vinden zijn. Laat ook uwe lieden de wacht houden en vooral zij, die bij den draagstoel waren en dus Lygia licht zullen herkennen."

„Ik liet. hen in de slavengevangenis werpen," zei Vinicius, ..maar ik zal het' bevel dadelijk herroepen en hen naar d<> poorten zenden."

Hij schreef eenige woorden op een leitje en gaf 't aan Petronius, die dadelijk een slaaf naar Vinicius' huis zond. Zij traden daarna het huis verder binnen en lieten zich op eene marmeren bank neer. I)e goudlokkige Euniche en Iras schoven bronzen voetbankjes onder hunne voeten en vulden de bekers met wijn uit prachtige kruiken met nauwe halzen van Volaterrae en Caecina.

„Kent een uwer slaven dien reusachtigen Lygiër?" vroeg Petronius.

„Atacinus en Gulo kenden hem; de een viel gisteren bij den draagstoel, den ander sloeg ik dood."

„Van hem spijt 't mij erg," antwoordde Petronius, „hij heeft ons beiden in de armen gedragen."

') Wachter van het A'rium.

Sluiten