Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare ziekte aan toovenarij van Lygia weet, de verantwoording daarvan op hem zou neer komen, omdat hij het meisje in het paleis had laten brengen. Maar hij verwierp spoedig deze gedachte, omdat hij wist dat Poppea zwak voor hem had, al trachtte zij dit te verbergen.

Hij begaf zich naar de eetzaal om daar iets versterkends te gebruiken en wilde daarna een bezoek op het paleis afleggen en bij Chrvsothemis aangaan.

In de gang naar de eetzaal ontdekte hij onverwacht de slanke gestalte van Euniche. Hij fronste weder de wenkbrauwen en vroeg:

„Hebt gij de slagen ontvangen?"

Weder wierp zij zich op de knieën en zei:

„Ja, heer, ja."

Vreugde en dankbaarheid sprak uit hare stem, want zij hoopte na het ondergaan dezer straf nu ook in zijn huis te mogen blijven. Petronius merkte dit op en als menschenkenner begreep hij, dat alleen liefde zulk een tegenstand te voorschijn kon roepen.

„Bemint gij iemand in dit huis?" vroeg hij.

„Ja, heer."

„Wien van hen bemint gij?" vroeg hij naar de slaven wijzend, die een eind verder stonden.

Hij kreeg geen antwoord. Euniche boog het hoofd nog dieper en zweeg.

Petronius keek naar de slaven, waaronder veel mooie, flinke mannen waren, maar op geen enkel gezicht was een antwoord te lezen; hij keek nogmaals naar het knielende meisje en ging toen naar de eetzaal.

Na den maaltijd liet hij zich naar het paleis dragen en daarop naar Chrvsothemis, waar hij tot laat in den nacht bleef. Thuisgekomen vroeg hij Tiresias:

„Heeft Euniche de slagen gekregen?"

„Ja, heer."

„Beval ik verder niets omtrent haar?"

„Neen, heer," antwoordde de man verschrikt.

,,'tls goed. Wien van de slaven heeft zij lief?"

Geen van hen, heer."

„Wat weet ge van haar?"

Tiresias antwoordde met eenigszins onzekere stem:

,,'s Nachts verlaat zij nooit het slaapvertrek en als gij gekleed zijt komt zij nooit meer in de badkamer. Men lacht wel eens om haar."

Sluiten