Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Genoeg," viel Petronius hem in de rede, „zij mag hier blijven. Je kunt gaan."

„Mag ik nog iets van haar zeggen?"

„Ja.

„Na uw vertrek kwam Euniche bij me en zei, dat zij een man kende, die het meisje, dat u zoekt, zou kunnen vinden."

„O! Wat is dat voor een man ?"

„Ik weet 't niet, heer."

„Goed. Die man moet morgen hier op Vinicius' komst wachten, dien gij uit mijn naam zult verzoeken hier te komen."

De Atriensis boog en ging heen. Petronius overlegde bij zichzelf, dat Euniche alleen melding maakte van dien man, in de hoop dat Vinicius Lygia zou vinden en zij dan bij hem zou mogen blijven Maar hij vermoedde, dat die man Euniche's beminde zou zijn, en die gedachte ontstemde hem.

Hij zou dadelijk de waarheid kunnen weten, hij had haar slechts te ontbieden, maar 't was al zoo laat en zijn bezoek bij Chrysothemis had hem vermoeid. Hij begaf zich daarom naar zijn slaapvertrek, maar onderweg bedacht hij, dat Chrysothemis al eenige rimpels kreeg en dat Euniche toch buitengewoon schoon en drie mooie knapen uit Clazomene, in ruil voor haar, toch veel te weinig was.

HOOFDSTUK XII.

Den volgenden morgen was Vinicius al vroeg bij Petronius Hij had den ganschen dag, als slaaf verkleed, de stad doorzocht, maai1 geen spoor van Lygia kunnen ontdekken. Hij had zelfs Aulus' slaven zien rondloopen en zoeken en daarom was hij er tevens zeker van, dat de oude veldheer ook niet wisl waar zij was of wat er met haar was gebeurd.

Toen Tiresias hem dan ook berichtte, dat er een man was, die 't wilde beproeven Lygia te vinden, ijlde hij naar Petronius' huis. Nauwelijks had hij zijn oom begroet of hij vroeg hem naar dien man.

Sluiten