Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vinicius slingerde hem eene beurs toe, die de Griek in de lucht opving, zeggende:

„lk weet meer dan ge denkt. Ik weet, dat Aulus het meisje niet ontvoerde, want ik sprak met een zijner slaven, lk weet, dat zij niet meer in het paleis is. Ik weet, dat zij gered werd door een slaaf, die met haar mee uit haar land kwam. De andere slaven hebben hem niet geholpen, want zij zouden uwe bevelen niet durven weerstreven. Slechts een geloofsgenoot kon hem helpen."

„Hoort ge, Vinicius," riep Petronius uit, „heb ik je niet 't zelfde gezegd?"

„Welk eene eer voor mij," zei Chilon.

„Het meisje, heer," ging deze voort, „aanbidt dezelfde godheid als de deugdzame Pomponia. Wist ik maar wie die godheid was en hoe zijne vereerders heeten, dan zou ik tot hen gaan en den vrome onder hen spelen en zoo hun vertrouwen winnen. Maar gij, heer, die zoolang in hun huis waart, gij zult er mij wel meer van kunnen zeggen."

„Neen," zei Vinicius.

„Hebt ge nooit, een beeldje, een altaar of iets dergelijks bij Pomponia of uwe goddelijke Lygia gezien? Hebt ge hen nooit elkaar een teeken zien geven?"

„Een teeken? Wacht eens! Ik zag Lygia eens een visch in 't zand teekenen."

„Een visch? Ha, ha! Eens, of meermalen?"

„Slechts eens! Kunt ge raden wat 't is ?"

„Of ik 't raden kan?" Chilon boog voor hen, terwijl hij heenging en zegenwenschen over hen uitsprak.

„Laat u een nieuwen mantel geven," riep Petronius hem na.

Nogmaals buigend en dankend ging Chilon heen.

„Wat zegt ge van zoo'n man!" riep Petronius uit.

„Dat hij Lygia zal vinden." antwoordde Vinicius. „ja, ik zeg nog meer. als er een koninkrijk van schurken bestond, zou hij hun koning kunnen zijn."

Chilon sloeg den nieuwen mantel om en verliet het huis. „Ik moet eerst mijne vermoeide keel eens wat gaan smeren," zei hij tot zichzelf. „Nu heb ik eindelijk gevonden wat ik zocht. Hij is jong, prikkelbaar en vrijgevig en zou zijn halve vermogen offeren voor die Lygische vlasvink. Maar ik moet toch met hem oppassen, want 't fronsen van zijn wenkbrauwen belooft niet veel goeds. Zoo! teekende zij een visrh in 't zand ? Ik ben een boon als ik weet wat dat beteekent!

Sluiten