Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dekking is zeer gewichtig, want al vond ik het meisje zelf nog niet, ik vond toch den weg, waarop we haar moeten zoeken. Gij hebt vrijgelatenen en slaven door stad en land gestuurd, heeft een van hen ook maar een spoor gevonden? Neen. Dat is mij alleen gelukt. Moer nog. Onder uwe slaven kunnen Christenen zijn zonder dat gij 't weet, daarom mogen zij mij hier niet zien. Gebied Euniche te zwijgen, edele Petronius, en gij, edele Vinicius, geef gij voor, dat ik u eene zalf verkoop om uwe paarden mee in te wrijven, opdat gij zeker zult zijn van de overwinning in het circus. Ik alleen zal het meisje zoeken. Vertrouwt mij en geeft mij een voorschot. Luistert nog verder naar mij! De laatste dagen zijn mijne voeten gewond van 't voortdurend gaan. Ik heb herbergen bezocht, bakkerijen, slagerijen, oliehandelaars en visschers, om het meisje op 't spoor te komen. Overal ben ik geweest en weet ge waarom? Om overal een visch te teekenen en daarbij de lieden aan te zien en te hooren, wat zij van dit teeken zouden zeggen. Een tijdlang bleef het zonder uitwerking, tot ik eindelijk een ouden slaaf zag bij eene bron. Hij schepte water met een emmer en weende. Ik naderde hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner droefheid. Hij vertelde mij hoe hij zijn levenlang gespaard had om zijn geliefden zoon los te koopen; maar diens heer had wel het geld aangenomen, den zoon echter als slaaf gehouden.

„En nu ween ik," zei de oude man; „ofschoon ik altijd weer tot mijzelf zeg, laat Gods wil geschieden!' ben ik, arme zondaar, toch niet "in staat mijne tranen terug te houden."

Als door een voorgevoel geleid, bevochtigde ik mijn vinger en teekende een visch. Hij antwoordde daarop:

„Ook mijne hoop is in Christus!"

„Hebt ge mij door dit teeken herkend?" vroeg ik.

„Ja." antwoordde hij, „en vrede zij met u!"

Ik begon hem te ondervragen en de oude vertelde mij alles en gedurende zijne vertelling begonnen ook mijne tranen te vloeien, — de tranen kwamen gemakkelijk bij mij boven door mijn goed hart en de pijn aan mijne voeten van het vele loopen. Ik vertelde hem, dat ik pas sedert eenige dagen van Napels hierheen was gekomen, geen mijner medebroeders kende en niet wist, waar zij zich tot het ge bed verzamelden. Hij verwonderde er zich over, dat de Chris tenen in Napels geen brieven aan mij hadden meegegeven voor hunne broeders in Rome, maar ik vertelde hem. dat die mij onderweg waren ontstolen. Hij zei mij toen. dat ik 's nachts

Sluiten