Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de rivier moest komen, dat hij mij daar met de Christenen bekend zou maken, die mij zouden meenemen naar hunne bedehuizen en naar de Oudsten, die hunne samenkomsten leidden. Daarover was ik zoo verrukt, dat ik hem de som gaf, die zijn zoon moest bevrijden, in de hoop, dat de edelmoedige Vinicius mij 't dubbele zou teruggeven."

„Chilon," onderbrak Petronius hem, „in uwe vertelling is waarheid en leugen prachtig met elkaar vermengd. Maar ik moet bekennen, dat we eene flinke schrede voorwaarts zijn gekomen. Hoe heette die oude man?"

„Euricius."

„Zoo. Gij zult wel eun goed gebruik weten te makjn van de kennismaking met hem, maar geld hebt ge hem niet gegeven, niets, verstaat ge me?"

„Maar ik hielp hem toch zijn emmer ophalen en sprak met het grootste medelijden over zijn zoon. Ja, heer, wat kan men voor de scherpzinnigheid van Petronius verbergen? Ik gaf hem 't geld in den geest, en is hij een philosoof, dan moet hem dit voldoende zijn."

Petronius wendde zich tot Vinicius en zei:

„Beveel, dat men hem 5000 sesterzien uitbetale, maar slechts in den geest 1"

„Ik zal je een jongen man meegeven," sprak Vinicius, „die de benoodigde som bij zich heeft. Gij zegt aan Euricius, dat hij uw slaaf is en betaalt den ouden in diens tegenwoordigheid de vereischte som uit. En omdat ge gewichtig nieuws gebracht hebt zult ge 't zelfde bedrag ontvangen. Kom hedenavond om den jongen en het geld."

„Gij zijt een edel heer!" zei Chilon. „Vrede zij met u! Zoo zeggen de Christenen elkaar vaarwel. Ik zal ine eene slavin koopen, een slaaf wil ik zeggen. De visschen worden met een lokaas gevangen en de Christenen met een visch. Pax vobiscuml Paxl Paxl Vrede zij met u, vrede! vrede!"

Sluiten